Vijftien tips voor tekstschrijven

Houd altijd rekening met taalkundige regels en zorg dat je je informatie goed structureert. Verder bieden de volgende vijftien tips handvatten bij het schrijven van teksten.

  1. Gebruik geen ‘aanloopzinnen’ (omdat, aangezien, et cetera). Als je een alinea hebt geschreven, bekijk dan nog eens de eerste zin. Meestal kun je die schrappen.
     
  2. Wees matig met bijzinnen.
     
  3. Formulier actief en vermijd de lijdende vorm. Dus liever: ‘De Erasmus Universiteit zwengelt de discussie aan’, dan ‘De discussie werd aangezwengeld door de Erasmus Universiteit’.
     
  4. Formuleer positief. Negatieve formuleringen (niet, geen) kun je meestal beter vermijden. Benadruk positieve eigenschappen en probeer neutrale of negatieve informatie positief te presenteren.
     
  5. Varieer je zinnen. Zinnen die allemaal op dezelfde manier zijn opgebouwd zorgen voor een monotone klank en halen de vaart uit de tekst. Je kunt beter variëren: korte en langere zinnen, zinnen met het onderwerp voorop en zinnen met iets anders aan het begin. Vraagzinnen en zinnetjes van 2 woorden (Mooi zo!) brengen ook de nodige variatie aan.
     
  6. Schrijf concreet en herkenbaar. Gebruik voorbeelden en schrijf over echte mensen. Met een citaat of de ik-vorm breng je het onderwerp dichterbij. Probeer op B1 niveau te schrijven. Ook een doelgroep met een academische opleiding leest liever een eenvoudige tekst.
     
  7. Gebruik maximaal 15 woorden per zin.
     
  8. Houd het simpel: 1 boodschap per zin.
     
  9. Gebruik opsommingstekens.
     
  10. Elke alinea heeft een kop van maximaal 5 woorden.
     
  11. Schrap overbodige (hulpwerk)woorden, zoals zullen, kunnen en willen. Ze zijn bijna altijd overbodig.
     
  12. Gebruik niet te veel bijvoeglijke naamwoorden.
     
  13. Vermijd jargon. Is het voor je doelgroep prettiger om jargon te gebruiken? Zorg dan dat je het bij de introductie eenmaal toelicht, zodat ook andere lezers je tekst kunnen begrijpen.
     
  14. Vermijd ouderwets taalgebruik. Niemand zegt ‘aanvankelijk’, ‘desalniettemin’ of ‘trachten’. Gebruik spreektaal. Dat klinkt – ook op papier – frisser en natuurlijker dan schrijftaal.
     
  15. Vermijd de naamwoordstijl: zelfstandige naamwoorden (de ondersteuning, de verwijzing) voor acties die je ook in zinnen met werkwoorden kunt omschrijven (zij ondersteunt, ik verwijs). Formuleer liever actief: zeg wie wat doet.

Meer schrijftips: