Current facets (Pre-Master)

Prof C.J. van Eijk (1923 - 2016): inspirator, leermeester, promotor

Prof CJ van Eijk (1923 - 2016): inspirator, leermeester,

Een persoonlijke herinnering

Prof C.J. van Eijk (1923 - 2016): inspirator, leermeester, promotor

Een persoonlijke herinnering

Joop Hartog[1]

Toen ik In 1964 aankwam voor mijn studie aan de NEH, op de Pieter de Hoochweg, was C. J. van Eijk daar een jaar eerder aangesteld als  hoogleraar. In 1965 begon ik aan het kandidaatsprogramma, met de verplichte vakken micro, macro, bedrijfshuishoudkunde, recht, economische geschiedenis en economische aardrijkskunde (wat je nu ruimtelijke economie zou noemen). Ik was meteen geboeid door de heldere, systematische colleges macro economie van professor Van Eijk. Ik denk dat ik direct het besef had dat mij een flexibel instrumentarium werd geboden voor het analyseren van economische problemen, en in de doctoraalfase werd Macro mijn hoofdvak (“werkcollege,” zoals  dat toen werd genoemd). Economische modellen bleken bouwstenen voor analyse, structuren die je in elkaar kon zetten voor het probleem dat je te lijf wilde. Er werden geen leerstellingen als waarheden geponeerd, maar hulpmiddelen aangereikt om een weerbarstige werkelijkheid te doorgronden. Van Eijk maakte niet zijn eigen modellen maar bracht zijn ervaring bij modellenbouwer CPB mee, uiteraard in combinatie met zijn kennis van de literatuur. Later, in het doctoraal keuzevak Regionaal en Sociaal-Economisch Onderzoek legde professor Klaassen zijn werk als directeur van het NEI op de toonbank. Hij maakte me nog duidelijker dat economische analyse een creatief proces is: binnen de basisprincipes van economische theorie kun je zelf je eigen modellen formuleren (en vervolgens toetsen). Het is die combinatie die voor mij de aantrekkingskracht van economisch onderzoek werd: de soepele flexibiliteit die de zwierige Klaassen demonstreerde en de diepgravende strenge zorgvuldigheid die de secure Van Eijk daar aan toevoegde. Op welke veronderstellingen was een model gebaseerd, welke assumpties zaten er impliciet verscholen achter, was het een consistent geheel, welke implicaties had het model en spoorden die wel met de empirie? In zijn  doctoraal werkcollege, twee jaar lang één keer per week, werden we daar grondig over onderhouden. Scherpe vragen stelde hij ons, alles met het doel om transparantie te verschaffen. Zagen we wel wat daar eigenlijk stond, begrepen we wel waar het vandaan kwam? Konden we waarmaken, motiveren, overeind houden wat we schreven in onze werkstukken? “Kom broeders“ sprak hij dan (zusters waren er lange tijd niet op onze colleges), “hoe zit dat nou precies?”

In 1972 werd hij mijn promotor, in een totaal andere structuur dan nu gebruikelijk is. Eigenlijk zonder structuur. Ik werd wetenschappelijk medewerker op een onderzoeksproject, met een reguliere aanstelling en een regulier salaris, en werd geacht een proefschrift te schrijven. Dat heb ik gedaan in volstrekte vrijheid, in een beschermde positie en met goede begeleiding. Ik bedacht onderzoeksplannen en beschreef de resultaten en kreeg op beide scherpzinnig commentaar. In mijn dienstverband was de promotie geen cesuur of drempel, ik bleef daarna gewoon in dienst en heb zo 10 jaar onder leiding van Van Eijk aan NEH en EUR gewerkt. Met buitengewoon genoegen.

Ik vermoed dat mijn ervaring indicatief is voor de ervaring van anderen.  Van Eijk was zeer toegewijd aan het onderwijs. Colleges werden zorgvuldig en intensief voorbereid en hij hield de literatuur bij door de nieuwste ontwikkelingen intensief met zijn doctoraal studenten te bestuderen. Hij was er trots op dat later succesvolle economen als Jaap van Duijn, Sweder van Wijnbergen en Peter Nijkamp zijn colleges hadden gevolgd. Hij was ook trots op zijn promovendi, waarvan diverse hoogleraar zijn geworden.

Hij was sterk geïnteresseerd en betrokken bij economische politiek. De bundel opstellen bij zijn emeritaat in 1988 had  dan ook de titel The role of economic policy in society. Na zijn studie economie in zijn geboortestad Amsterdam, aan wat toen nog de Gemeente Universiteit was, was zijn eerste baan, in 1957, bij het CPB, werkplaats voor economisch beleid bij uitstek. Bij het CPB schreef hij samen met collega Sandee een artikel voor Econometrica waarin parameters in de welvaartsfunctie voor economische politiek werden afgeleid uit discussies in het publieke domein. In 1961 vertrok hij als onderzoeker naar de Research and Planning Division van de Economic Commission van de Verenigde Naties in Geneve “om weer rustig te kunnen nadenken in plaats van opgejaagd te worden door de agenda van de dag”. Zo bleef hij in het voetspoor van Tinbergen, oprichter van het CPB, bouwer van het eerste econometrische macro-model, voor de Volkenbond, vooroorlogse voorloper van de VN, ook  gevestigd in Geneve. Van 1963 tot aan zijn emeritaat in 1988 was hij hoogleraar aan NEH/ EUR. Hij bracht sabbatical perioden door in Southampton, Florence en op het NIAS. 

Zijn belangstelling voor beleid stuurde hem in de richting van de Nederlandse adviserende instellingen. Hij was lid van de Sociaal Economische Raad, waar hij voorzitter was van de Commissie Structureel Economisch Beleid en hij was lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, waar onder zijn leiding een rapport over economische groei werd gemaakt (Ruimte voor Groei). Met een dynamisch multi-sector model werden beleidsaanbevelingen afgeleid om de werkloosheid terug te dringen, met gepaste waarborgen voor bescherming van het natuurlijk milieu. 

Binnen de Economische Faculteit groeide hij uit tot een belangrijke informele stuurman. Zijn wijsheid, integriteit en grote betrokkenheid bij de kwaliteit van de universiteit bezorgde hem groot respect en maakte hem bij uitstek geschikt voor de rol van vertrouwenspersoon, mentor, katalysator van meningsvorming en voorzitter van allerlei interne commissies.

Door zijn concentratie op onderwijs, bestuur en directe beleidsadvisering is zijn invloed niet waarneembaar achtergebleven, als muziek die ooit klonk, maar voor latere luisteraars niet meer beschikbaar is. Met zijn hoge normen voor onderwijs, bestuur en onderzoek en ouderwetse onkreukbaarheid heeft hij een belangrijke rol gespeeld in het functioneren van de Economische Faculteit in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Zijn vormende waarde, voor studenten en promovendi zoals ik zelf is een investering die voor hen een leven lang mee gaat. Nauwelijks zichtbaar, nauwelijks meetbaar en daarmee in dubbele zin onschatbaar.  

C.J. van Eijk en J. Sandee (1959), Quantitative determination of an optimum economic policy, Econometrica, 27 (1), 1-13

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1986), Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar, WRR rapport nr. 29

[1] Emeritus hoogleraar UvA (J.Hartog@uva.nl); dank aan professor Dik Wolfson voor een geciteerde uitspraak.