In memoriam dr. Ferry de Goey

Ferry de Goey

Maandag 23 juli werden wij opgeschrikt door het verbijsterende bericht dat dr. Ferry de Goey zondagochtend 22 juli 2018 op 58-jarige leeftijd is overleden. Natuurlijk wisten we al jaren dat Ferry problemen had met zijn gezondheid en na de ingrijpende operatie, vorig jaar september, zagen we dat het herstel erg moeizaam ging. We hoopten dat hij zou opknappen, maar de vrees werd steeds sterker dat dit niet meer zou lukken. Het heeft inderdaad niet zo mogen zijn.

Sinds een aantal weken was dat duidelijk. Dat ik het niettemin verbijsterend noem, is omdat de laatste keer dat prof. Ben Wubs en ik Ferry spraken, in het hospice waar hij de laatste maand is verpleegd, wij aanvankelijk een heel zieke man aantroffen, maar toen we over geschiedenis kwamen te spreken, zijn enthousiasme voor het vak ongebroken bleek. Hij wilde dat we nog eens naar een recensie voor de Economic History Review keken die hij niet meer had afgemaakt en gaf aanwijzingen wat er zijns inziens nog aan moest gebeuren. Ook had hij nog allerlei kopieën van archieven die wij wellicht konden gebruiken en die volgens hem uitermate interessante informatie bevatten. Ferry was een gedreven historicus, gespecialiseerd in de bedrijfsgeschiedenis. Hij stortte zich gedurende de vele jaren dat hij bij de afdeling geschiedenis van de Erasmus School of History, Culture and Communication en haar voorgangers werkte, met enthousiasme op een onderzoek naar Rotterdamse ondernemers, naar de geschiedenis van de haven, naar de rol van consuls in de internationale relaties of naar de vraag hoe het kon dat Nederland eeuwen als enige Westerse mogendheid op de Japanse markt opereerde, maar toen de Amerikanen de Japanners dwong hun markten te openen, Nederland in korte tijd van die markt werd geveegd. Zulke zaken fascineerden hem zijn hele leven, zelfs nog op zijn sterfbed.

Een mens is meer dan zijn ziekte. Ferry heeft dat getoond door heel lang niet aan zijn ziekzijn toe te geven. Ik herinner mij dat hij alweer enige jaren terug, na op een zondag in het ziekenhuis te zijn opgenomen waar hij een week aan de beademing lag, vrijdag van dat apparaat mocht en zaterdag naar huis kon. Maandag daarop verscheen Ferry gewoon weer om college te geven. Tot op de dag van vandaag weet ik niet of dit voortsproot uit zijn ijzeren plichtsbesef of uit zijn weigering om zich als een patiënt te gedragen.

Behalve een gedreven onderzoeker, was hij docent en met verve. Zijn inzet voor het onderwijs was enorm en de studenten hadden hem hoog. Ze wisten echter ook dat het bij een college van Ferry niet gemakkelijk zou worden en er veel van hen werd gevergd. Hij stelde hoge eisen en daarmee trok hij sommigen naar een hoger plan. Studenten die niet bereid waren een tandje bij te zetten, liet hij dat duidelijk voelen. Een academische graad kreeg je niet voor niets, zeker niet als dr. Ferry de Goey je scriptiebegeleider was. Nog bij zijn afstuderen kon hij een student die weliswaar een zesje had behaald, maar er naar Ferry’s mening met de pet naar had gegooid, in de laudatio op duidelijke wijze te verstaan geven wat hij daarvan vond. Een opmerking van mijn kant dat we het voor de ouders van zo’n student en oma toch een beetje leuk moesten houden, stuitte bij Ferry op onbegrip. Een leugentje om bestwil begreep hij niet goed. Ferry was eerlijk, soms verbijsterend eerlijk.

De eerste keer dat wij elkaar echt spraken was toen ik net was benoemd tot hoogleraar Economische en Sociale geschiedenis, waarmee ik Ferry’s nieuwe chef werd. Op mijn vraag of we niet eens een uurtje konden praten over zijn werk, zijn ambities en zijn plannen, reageerde hij botweg afwijzend. Hij had er geen zin in. Al in geen jaren was er naar hem omgekeken en hadden mijn voorgangers hem laten aanmodderen, nu wilde hij ook niet dat ik me met hem bemoeide. Dat was geen boosheid op mij, dat was boosheid op de toenmalige afdeling en hij was daar volkomen open over. Uiteraard hebben we toen toch een gesprek gehad, al was het een wat ander gesprek dan ik aanvankelijk voor ogen had. Enige jaren later werd Ferry 50 en rond die tijd hadden we een etentje met de hele leerstoelgroep gepland. Dat was niet specifiek bedoeld voor zijn verjaardag, maar we hadden wel een aardigheidje en bloemen voor Ferry. Tot mijn stomme verbazing had hij opeens de rekening voor ons allemaal voldaan. Ferry voelde zich weer op zijn plaats en dat liet hij blijken.

Ferry de Goey werd op 29 juli 1959 te Willemstad op Curaçao geboren, als jongste in een groot, warm katholiek gezin van negen kinderen. De band in dat gezin was hecht en tot zijn dood hebben de leden van dat gezin, vooral zijn zussen, hem op indrukwekkende wijze bijgestaan en gesteund. Ferry, die zelden iets over zichzelf vertelde, vertelde mij eens in de tram hoe hij op Curaçao ‘s morgens al heel vroeg – ik meen mij te herinneren om 6 uur – naar school moest, om voor dat het te heet werd de lessen te kunnen volgen. Om 12 uur waren de kinderen dan vrij en konden ze naar het strand. Uit de manier waarover hij dit vertelde, bleek dat het leven als kind op dat tropische eiland voor hem één van zijn mooiste herinneringen was.    

In 1969, Ferry was 10, verhuisde de familie De Goey naar Nijmegen waar hij na de laatste jaren lagere school, op de HAVO terechtkwam en daarna, eveneens in Nijmegen, op de lerarenopleiding met als hoofdrichtingen geschiedenis en geografie. In 1981 – Ferry was toen 22 – was hij met die opleiding klaar en besloot hij geschiedenis te gaan studeren. Opvallend is dat hij dat niet deed aan de Katholieke Universiteit in zijn woonplaats Nijmegen, waar een gevestigde en respectabele geschiedenisopleiding bestond en bestaat, maar koos voor de nog maar een paar jaar oude en enigszins experimentele Rotterdamse opleiding Maatschappijgeschiedenis. Daar werd geschiedenis niet op de traditionele wijze bedreven, maar was de periodisering anders, werd er meer dan elders gebruikelijk was gekeken naar de geschiedenis buiten de grenzen van de Westerse wereld en werden de sociale wetenschappen als hulpwetenschappen van de geschiedenis serieus genomen. Het is hem hier in Rotterdam bevallen en hij ging er nooit meer weg. Wij mogen daar dankbaar voor zijn en zullen hem in onze herinnering houden als een uiterst enthousiast historicus, een geweldig docent en een loyale collega.

Prof. dr. Hein A.M. Klemann