In memoriam prof. dr. Pieter Spierenburg

Op 21 maart overleed Pieter Spierenburg, die vanaf de eerste jaren aan de Erasmus School of History, Culture and Communication verbonden was, evenals sinds 2006 als bijzonder hoogleraar Historische Criminologie aan de Juridische Faculteit tot aan zijn emeritaat in 2013. Pieter Spierenburg ging in 1966 geschiedenis studeren aan de Universiteit van Amsterdam, aanvankelijk als spoorstudent vanuit Haarlem, waar hij in 1948 geboren werd en opgroeide. Zoals veel studenten - en de hele Amsterdamse intellectuele elite - werd hij gegrepen door de colleges die de socioloog Norbert Elias in 1969-1970 als gasthoogleraar gaf. Diens ideeën over het beschavingsproces werden het uitgangspunt van Pieters doctoraalscriptie. Die werd meteen gepubliceerd in de reeks Werkschriften van het Historisch Seminarium: Het proces der civilisatie in Nederland tussen 1500 en 1800. Een toetsing der civilisatie-theorie. Het was de eerste van zijn 221 publicaties. Al meteen werd duidelijk waar zijn kracht als historicus lag: het schetsen van langetermijnontwikkelingen; een interdisciplinaire  benadering, waarin hij sociaal-culturele geschiedenis, sociologie en antropologie; een brede literatuurkennis; en grondig onderzoek, in dit geval van etiquetteboeken. Dergelijk interdisciplinair onderzoek was iets nieuws in de jaren 1970 en Pieter kon in deze richting verder werken omdat hij een promotiebeurs verwierf. In  twee jaar schreef hij het boek waarop hij in 1978 promoveerde, Judicial violence in the Dutch Republic. Corporal punishment, executions and torture in Amsterdam, 1650–1750. Hierin analyseerde hij de relatie tussen staatsvorming, strafrecht en de toepassing van tortuur, lijfstraffen en de doodstraf, gebaseerd op een grootscheeps onderzoek in het rechterlijk archief van Amsterdam. In 1973 was mede door hem de Werkgroep Strafrechtsgeschiedenis opgericht, waarin historici, sociologen en juristen samenwerkten. Het was kenmerkend voor de nieuwe ontwikkelingen in de geschiedwetenschap in deze jaren en voor het enthousiasme waarmee nieuwe terreinen ontgonnen werden.

Toen Pieter in 1977 docent werd aan de subfaculteit Maatschappijgeschiedenis, die kort daarvoor was opgericht aan de Erasmus Universiteit, kwam hij dan ook op precies de juiste plek terecht. Hier zou geschiedenis op een nieuwe manier worden bedreven, waarvoor dus ook een nieuwe naam was bedacht: maatschappijgeschiedenis. Het uitgangspunt was een interdisciplinaire benadering, waarvoor vanuit verschillende Rotterdamse faculteiten wetenschappers bij elkaar waren gebracht: sociologie, economie en rechten, terwijl ook psychologie en geografie waren vertegenwoordigd. Bovendien was de benadering diachroon van Oudheid tot Hedendaagse Geschiedenis, en comparatief wat betreft landen en culturen, van Azië en Afrika tot Europa en Amerika. Ook de theorie was op de faculteit rijk vertegenwoordigd, van Marx tot Elias en alles daartussenin. Pieter gaf onder meer het hoorcollege over pre-industriële geschiedenis in de vroeg-moderne tijd, de zestiende tot en met de achttiende eeuw. Daarbij presenteerde hij niet alleen de grote lijnen en de nieuwste inzichten, maar ook zijn eigen visie. In 1988 publiceerde hij zijn handboek De Verbroken betovering. Mentaliteitsgeschiedenis van pre-industrieel Europa, waarvan drie jaar later een Engelse vertaling verscheen (The broken spell, Rutgers UP). Tien jaar later kwam er een herziene en geactualiseerde Nederlandse editie.

Pieter schreef en publiceerde veel in het Engels, ook toen dat nog niet gebruikelijk was, en stimuleerde de internationale samenwerking op het gebied van de historische criminologie. Hij was in 1978 een van de oprichters van de International Association for the History of Crime and Criminal Justice (IAHCCJ), waarvan hij tot 2014 secretaris was. Met boeken als The spectacle of suffering (Cambridge UP, 1984) en The prison experience. Disciplinary institutions and their inmates in Early Modern Europe (Rutgers UP 1991) vestigde hij zijn naam als internationaal gezaghebbend historicus. Hij liet zien dat, in tegenstelling tot de gangbare visie, het instituut van de gevangenis(straf) verder terugging dan de tijd van de Verlichting. Hij gaf dan ook vele gastcolleges op tal van buitenlandse universiteiten en vervulde vele gasthoogleraarschappen, onder meer aan Carnegie Mellon University en de University of California, Berkeley. In 2006 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar Historische Criminologie aan de Juridische Faculteit bij de sectie Criminologie van de Erasmus School of Law. Af en toe mengde hij zich ook in Nederlandse discussies. Hij legde bijvoorbeeld in 2013 in De Volkskrant uit dat er een samenhang is tussen grotere sociale ongelijkheid en strenger straffen. Na zijn emeritaat in 2013 ging hij op het NIOD, Institute for War, Holocaust and Genocide Studies, leiding geven aan het project Four Centuries of Labour Camps.

Pieter kende ik vanaf onze studietijd in Amsterdam, al was hij een ouderejaars toen ik zelf begon. Het was een tijd waarin zelfs in de koffiekamer heftige gesprekken konden worden gevoerd tussen de aanhangers van Marx of Elias. Daarna troffen we elkaar regelmatig in de Werkgroep Strafrechtsgeschiedenis. Vervolgens waren we dertig jaar collega’s aan de Subfaculteit Maatschappijgeschiedenis i.o., die nu niet meer i(n) o(prichting) is en bovendien de naam ESHCC draagt. Behalve stimulerende discussies over historisch onderzoek herinner ik me ook hoe Pieter altijd klaar stond voor collega’s, bijvoorbeeld om in te vallen bij een college. Eens verving hij mij bij een schriftelijk tentamen, toen ik niet kon surveilleren. Een dag later gaf hij me het stapeltje tentamens, waarbij er een nieuwe student was bijgeschreven op de cijferlijst, Kees van Buuren. Van Buuren had het tentamen verbazingwekkend goed gemaakt en ik gaf hem een negen. Achteraf vertelde Pieter me dat hij Kees van Buuren was, waarop ik hem verzekerde dat zijn negen geheel verdiend was. We hebben er erg om gelachen. Pieter was iemand die zich niet aan conventies stoorde; zo promoveerde in een leren jasje. Ook in de wetenschap ging hij zijn eigen weg en verrichte juist daardoor baanbrekend onderzoek op het zeer relevante gebied van geweld, staatsvorming, beschaving en bestraffing. Hij gaf op een originele en inspirerende wijze college aan vele generaties studenten van de Erasmus Universiteit. Zijn collega’s, vrienden en alle oud-studenten zullen hem erg missen.

Rudolf Dekker