Zorgverzekeraars krijgen gemiddeld te weinig compensatie voor verzekerden die in het voorgaande jaar maatschappelijke ondersteuning ontvingen. Informatie over het gebruik van maatschappelijke ondersteuning in het voorgaande jaar is daarmee potentieel interessant voor verbetering van het Nederlandse risicovereveningsmodel. Dat concludeert Hidde Halbesma in zijn scriptie waarmee hij afstudeerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Risicoverevening moet voorkomen dat zorgverzekeraars financieel voordeel hebben bij het aantrekken van gezonde verzekerden en nadeel ondervinden van verzekerden met hoge verwachte zorgkosten. Verzekeraars ontvangen daarom een compensatie die onder meer is gebaseerd op leeftijd en gezondheidsindicatoren. Toch blijven er groepen waarvoor verzekeraars structureel worden onder/overgecompenseerd.
Hidde onderzocht of gebruik van maatschappelijke ondersteuning in het voorgaande jaar een aanvullend vereveningskenmerk kan zijn. Daaronder vallen bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, begeleiding en vervoersvoorzieningen. Voor het onderzoek zijn gegevens gebruikt van bijna 17,8 miljoen verzekerden en ruim 1 miljoen Wmo-gebruikers.
De verschillen tussen de groepen met en zonder Wmo-gebruik in het voorgaande jaar zijn aanzienlijk. Mensen die in het voorgaande jaar maatschappelijke ondersteuning ontvingen, zijn gemiddeld ouder, hebben vaker gezondheidsproblemen en een lagere sociaaleconomische status. Hun gemiddelde zorgkosten onder de Zorgverzekeringswet bedroegen in 2023 ongeveer 11.281 euro, tegenover 2.956 euro voor de totale bevolking.
Het risicovereveningsmodel houdt al grotendeels rekening met deze hogere kosten. Toch resteert voor Wmo-gebruikers gemiddeld een ondercompensatie van ongeveer 270 euro per persoon per jaar. Daardoor kunnen verzekeraars met relatief veel Wmo-gebruikers financieel worden benadeeld, wat prikkels voor risicoselectie kan veroorzaken.
Het is echter de vraag in hoeverre Wmo-gebruik in het voorgaande jaar geschikt is als vereveningskenmerk. Gemeenten verschillen in de manier waarop zij ondersteuning toekennen en registreren, waardoor vraagtekens moeten worden geplaatst bij de validiteit en uniformiteit van informatie over Wmo-gebruik als basis voor een vereveningskenmerk. Bovendien leveren niet alle gemeenten Wmo-gegevens aan bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, waardoor geen sprake is van een landelijke dekking. Ook is nog niet onderzocht in hoeverre de gevonden resultaten stabiel zijn over meerdere jaren.
De conclusie van Hidde is daarom voorzichtig positief: het gebruik van maatschappelijke ondersteuning in het voorgaande jaar kan de voorspelkracht van de risicoverevening verbeteren, maar eerst zijn landelijke en gestandaardiseerde gegevens nodig.
De volledige scriptie van Hidde is te vinden achter deze link.

