Zorgverzekeraars krijgen gemiddeld te weinig compensatie voor verzekerden die in het voorgaande jaar jeugdzorg ontvingen. Informatie over het gebruik van jeugdzorg in het voorgaande jaar is daarmee potentieel interessant voor verbetering van het Nederlandse risicovereveningsmodel. Dat concludeert Maryam Diallo in haar masterscriptie.
Risicoverevening is bedoeld om zorgverzekeraars te compenseren voor voorspelbare verschillen in zorgkosten tussen verzekerden. Zo moeten verzekeraars met relatief veel mensen met hoge gezondheidsrisico’s niet financieel worden benadeeld. Ondanks de vele kenmerken die al in het Nederlandse model zijn opgenomen, blijven er groepen bestaan waarvoor verzekeraars structureel te veel of te weinig compensatie ontvangen.
Voor haar onderzoek gebruikte Maryam gegevens van bijna 4,9 miljoen verzekerden onder de 25 jaar. Informatie over jeugdzorggebruik in 2020, 2021 en 2022 is gecombineerd met kostengegevens over somatische en geestelijke gezondheidszorg in 2023. Met statistische analyses is onderzocht of jeugdzorggebruik in voorgaande jaren samenhangt met zorgkosten onder de Zorgverzekeringswet, vóór risicoverevening en ná risicoverevening.
De resultaten laten zien dat jongeren met jeugdzorggebruik in het voorgaande jaar gemiddeld hogere Zvw-zorgkosten hebben dan jongeren zonder jeugdzorggebruik in het voorgaande jaar, zowel voor somatisch zorg als geestelijke gezondheidszorg (18+).
Het huidige risicovereveningsmodel compenseert zorgverzekeraars onvoldoende voor jongeren met jeugdzorggebruik in het voorgaande jaar. Vooral bij de groepen met jeugdbescherming en jeugdreclassering in het voorgaande jaar is de ondercompensatie aanzienlijk. Bij jeugdbescherming loopt de gemiddelde ondercompensatie op tot ongeveer 1.300 euro voor somatische zorg en 3.400 euro voor geestelijke gezondheidszorg.
Het is echter de vraag in hoeverre jeugdzorg in het voorgaande jaar geschikt is als vereveningskenmerk. Gemeenten verschillen in de manier waarop zij jeugdzorg toekennen en registreren, waardoor vraagtekens moeten worden geplaatst bij de validiteit en uniformiteit van deze informatie als basis voor een vereveningskenmerk. Ook is nog geen sprake van een volledige dekking van de informatie over jeugdzorggebruik. Daarnaast is niet onderzocht in hoeverre de gevonden resultaten stabiel zijn over meerdere jaren.
De conclusie van Maryam is daarom voorzichtig positief: informatie over het gebruik van jeugdzorg in het voorgaande jaar kan de voorspelkracht van de risicoverevening verbeteren, maar eerst zijn landelijke en gestandaardiseerde gegevens nodig.
De volledige scriptie van Maryam is te vinden achter deze link.

