Private equity bevordert slechte zorg in Amerikaanse verpleeghuizen

Foto Matthias Zomer
Foto Matthias Zomer

Amerikaanse verpleeghuizen die in handen zijn van private-equitypartijen leveren slechtere zorg dan andere instellingen. Er gaat minder geld naar personeel en zorgtaken, en meer naar niet-zorggerelateerde zaken zoals rentelasten. In twaalf jaar tijd heeft de aanpak van investeringsmaatschappijen ruim 20.000 voortijdige sterfgevallen veroorzaakt.

Tot die verontrustende conclusie komen onderzoekers van de universiteiten van Chicago, New York en Pennsylvania in een onlangs door onderzoeksinstituut NBER gepubliceerde studie. De auteurs bekeken ruim 18.000 verpleeghuizen, waarvan 1674 in handen van private equity, en zo'n 7,4 miljoen patiënten.

Klein in Nederland

De Amerikaanse verpleeghuiszorg is voor 70% in handen van private partijen met een winstoogmerk. In Nederland spelen zulke ondernemingen een veel kleinere, maar groeiende rol in de sector, zegt de Rotterdamse gezondheidseconoom Bram Wouterse. "Eigenlijk hebben we daar nog heel weinig zicht op, en het ontbreekt aan een duidelijke beleidsvisie op hoe private zorg er precies uit moet zien."

Onderzoekers uit Utrecht en Nijmegen brachten vorig jaar de Nederlandse private ouderenzorgmarkt in kaart. Van alle verzorgingshuizen kende 12% een winstoogmerk, en private equity bezat 1,4% van de instellingen. Internationale ketens, zoals de beursgenoteerde Franse partijen Korian en Orpea, waren een fractie groter.

Veel Nederlandse ouderen ontvangen (streng gereguleerde) intramurale zorg bij een instelling zonder winstoogmerk. Een kleinere groep stelt zelf zijn pakket samen, en daar liggen mogelijkheden voor private partijen.

Verdienen aan randzaken

Een overeenkomst tussen de Amerikaanse en Nederlandse systemen is namelijk dat private aanbieders vooral geld verdienen aan de zaken om de zorg heen, zoals huisvesting en maaltijden, stelt Wouterse. Dan nog zijn de marges vaak relatief beperkt.

De private-equitypartijen uit het Amerikaanse onderzoek maken toch rendement door bijvoorbeeld activiteiten uit te besteden aan gelieerde bedrijven of 'managementvergoedingen' in rekening te brengen.

Ook de financiering is een manier om de opbrengsten op te krikken. Overnames met geleend geld stuwen het rendement, maar die schuld komt wel op de balans van de instelling terecht. De verkoop van vastgoed maakt dividenduitkeringen mogelijk, maar het terugleasen levert vervolgens nog meer langlopende verplichtingen op. Beide methodes gaan ten koste van de 'handen aan het bed'.

In het Verenigd Koninkrijk heeft dit model tot acute problemen geleid. Na jarenlange bezuinigingen en agressieve financiering door participatiemaatschappijen bleken de grootste ketens van verzorgingstehuizen niet bestand tegen de coronacrisis. Verschillende partijen staan op omvallen.

Meer of minder marktwerking?

Op de Nederlandse markt lijkt het dus niet zo'n vaart te lopen, en duidelijke aanwijzingen voor verschraling zijn er niet. Nieuwe beperkingen zijn bovendien niet uit te sluiten, want de meeste politieke partijen keren zich in hun verkiezingsprogramma's tegen het winstoogmerk in de zorg.

Wouterse ziet het anders: "Het is een hele conservatieve markt, met weinig beschikbare plekken ten opzichte van de groeiende vraag en dus weinig keuze. Wat frisse inzichten en innovatief vermogen zouden weinig kwaad kunnen."

Er is dan wel controle nodig, zegt de zorgeconoom. "Je moet goed zorgen dat het op randzaken gebaseerde verdienmodel de zorg niet negatief beïnvloedt." Ook moet er volgens Wouterse voor gewaakt worden dat private instellingen de 'makkelijke' patiënten en het beste mensen naar zich toetrekken, terwijl non- profit-huizen met zware zorg en personeelstekort blijven zitten.

Universitair Hoofddocent
Meer informatie

Dit artikel is gepubliceerd in het Financieel Dagblad op 1 maart 2021.