Regionale verschillen in zorg: maatwerk of willekeur?

Lieke Oldenhof

Krijg je in Rotterdam dezelfde zorg als in Woudrichem? In principe wel, zou je denken. Maar in werkelijkheid is dit steeds minder het geval. Sinds de decentralisaties van zorg naar gemeenten zijn er steeds meer verschillen in de toewijzing en kwaliteit van zorg. Zijn die verschillen nou een teken van maatwerk of willekeur? Daarover gaat het onderzoek van dr. Lieke Oldenhof van Erasmus School of Health Policy & Management, waar ze vorige maand de prestigieuze Veni-beurs - een financiering van maximaal 250.000 euro - voor ontving.

Gefeliciteerd, Lieke! Kun je iets meer vertellen over je onderzoek?

‘Natuurlijk! Mijn onderzoek gaat over de vraag hoe zorg in Nederland verdeeld wordt, en dan focus ik op zorg vanuit de gemeente. Zij zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor jeugdzorg en maatschappelijke zorg. Het idee is dat medewerkers van de gemeente echt aanschuiven bij mensen thuis - de zogenaamde keukentafelgesprekken - omdat ze, door samen in gesprek te gaan, zorg op maat kunnen leveren. Dan heb je het over vragen als: krijg je de zorg vanuit de overheid of kun je iets zelf doen, of kan je buurman of partner misschien helpen?’

Dat klinkt mooi, toch?

‘Zeker, maar in de praktijk ervaren veel mensen toch een zekere mate van willekeur. Er ontstaan verschillen tussen en binnen gemeenten in de toewijzing van zorg, mensen voelen zich ongelijk behandeld. Enerzijds hangt dat van deze mensen zelf af: als je heel mondig bent en voor jezelf opkomt, kun je meer uit zo’n keukentafelgesprek slepen dan iemand die wat introverter is.

Maar ook de medewerkers die namens de gemeente aan tafel zitten hebben nog niet altijd de juiste kennis en expertise in huis om te beoordelen welke zorg iemand nodig heeft. Zijn zij bijvoorbeeld in staat om echt te herkennen of iemand bijvoorbeeld autistisch is? Niet altijd. Er bestaat dus best wel veel speelruimte aan die keukentafel, en ik wil in kaart brengen hoe die ruimte nu wordt gebruikt en hoe dat beter kan. Dat ga ik doen door zelf aan te schuiven bij zo’n 150 keukentafelgesprekken en de betrokkenen naderhand te interviewen. De resultaten worden gebruikt voor het ontwikkelen van een trainingsmodule voor wijkteams’

In welke gemeenten ga je dit onderzoeken?

‘Ik ben nu in gesprek met drie gemeenten: Rotterdam, een grote gemeente, Amersfoort, middelgroot, en een kleine gemeente, Woudrichem. In een grote gemeente als Rotterdam heb je met heel andere sociale problematiek te maken dan bijvoorbeeld in een klein dorp. In die verschillen wil ik me ook verdiepen.’

En hoe ben je aan de Veni-beurs van de NWO gekomen?

‘Elk jaar kun je als onderzoeker meedoen met een competitie die uit meerdere rondes bestaat. In de eerste ronde dien je je onderzoeksvoorstel in. Dat voorstel moet wetenschappelijk vernieuwend zijn, maar ook bijdragen aan de praktijk. En er wordt ook gekeken naar jou als onderzoeker: of je bijvoorbeeld goede publicaties hebt in wetenschappelijke tijdschriften. Daarna gaan twee anonieme reviewers uit jouw werkveld je voorstel beoordelen. Daar moet jij dan weer een reactie op geven.

Uiteindelijk word je dan - hoop je, althans - uitgenodigd voor een gesprek met commissieleden van NWO, superspannend. Je moet je voorstellen dat je dan al een maand of zeven bezig bent geweest met het maken van je onderzoeksvoorstel. In mijn geval ben ik daar ook voor naar Oxford geweest, en heb ik het tijdens mijn zwangerschapsverlof afgemaakt, anders kreeg ik het niet op tijd af. Best pittig. Je volgt ook nog allerlei cursussen over hoe je moet presenteren, want het komt er echt op aan tijdens het gesprek met die commissieleden. Na je presentatie stellen ze je een aantal vragen en dan mag je naar huis. Een maand later kreeg ik het goede nieuws.’ 

En, ging de champagne open?

‘Haha, ik was bij mijn ouders in Twente, en die hebben meteen een taartje gehaald bij hun favoriete bakker. Voor mij als taartliefhebber was dat de perfecte manier om het te vieren!’