Levert de huidige invulling van de hoorplicht in de Wvggz een betere rechtspositie voor betrokkenen op?

In opdracht van de VeiligheidsAlliantie Regio Rotterdam hebben een aantal masterstudenten Gezondheidsrecht een onderzoek geschreven over de huidige invulling van de hoorplicht binnen de Wet verplichte ggz (Wvggz). De studenten concluderen dat deze hoorplicht niet bijdraagt aan een betere rechtspositie voor de betrokkenen. Ze presenteerden hun bevindingen voor  burgemeesters, wethouders, ambtelijk adviseurs, zorginstellingen, OM, politie en cliëntorganisaties.

De Wvggz geldt voor mensen met een psychische stoornis, waarbij het gedrag leidt tot ernstig nadeel voor henzelf of anderen; wanneer vrijwillige zorg ontoereikend is, kan de rechter hen verplichte zorg opleggen. De hoorplicht die in deze wet is opgenomen, houdt in dat de patiënt in de gelegenheid gesteld wordt om zijn of haar visie te geven op het rapport van de psychiater, die aan de burgemeester de crisismaatregel voorstelt. Het verhoor is in de gemeente Rotterdam uitbesteed aan de gespecialiseerde hoordienst van de Politie Rotterdam, maar dit gebeurt niet in iedere gemeente.

Belangrijk is dat deze gesprekken worden gevoerd met mensen met ernstige psychische klachten en dat deze gesprekken een grote impact kunnen hebben op hun toekomst. Het is echter de vraag of het voeren van deze gesprekken op dat moment in het belang van de betrokkenen is.

Naar aanleiding van deze ervaringen is contact gelegd met Erasmus School of Law. Onder begeleiding van Martin Buijsen, hoogleraar Gezondheidsrecht, hebben de studenten met betrokken partners gesproken, waaronder burgemeesters, psychiaters, cliëntvertegenwoordigers en medewerkers van de hoordienst en de rechtspraak, over hun ervaringen met de hoorplicht. Hieruit concluderen de studenten dat deze partners blij zijn met de intentie van de wetgever, maar niet met de manier waarop de hoorplicht wordt ingevuld. Het idee dat een betrokkene in een crisissituatie gehoord kan worden, strookt niet met de werkelijkheid. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek worden voorgelegd aan het Regionaal Veiligheidsoverleg (RVO), waar vervolgstappen worden besproken.