Wat zie ik eigenlijk? Onderzoek naar het leren interpreteren van camerabeelden gestart

Gabry Vanderveen, universitair docent Criminologie aan Erasmus School of Law, Lotte van Dillen, universitair hoofddocent Psychologie aan Universiteit Leiden en Teddy van Suchtelen, tutor Criminologie aan Erasmus School of Law, zijn gestart met een interdisciplinair empirisch onderzoek getiteld “Beelden betwisten”, gefinancierd door Politie en Wetenschap. Er worden steeds meer beelden vastgelegd door smartphones, bodycams, en beveiligingscamera’s, en deze worden ook steeds vaker ingezet in de strafrechtsketen. Er bestaan echter nog maar ​​weinig protocollen voor het omgaan met dergelijk beeldmateriaal en de kennis over hun potentieel vertekenende impact is nog steeds beperkt. In dit project staat daarom de vraag centraal wat politiemedewerkers leren over het interpreteren van beeldmateriaal en hoe het kritisch analyseren van beelden verbeterd kan worden.

Beeldmateriaal van camera’s die realtime een arrestatie, achtervolging, bekentenis of plaats delict hebben vastgelegd wordt ook wel evidence verité genoemd. Veel mensen denken dat dit soort camerabeelden laten zien wat er werkelijk is gebeurd; “camerabeelden liegen niet”. Zo wordt vaak gedacht dat beelden ‘objectief’ en ‘waar’ zijn, en ook dat “beelden voor zich spreken”. Dit sluit aan bij naïef realisme: de menselijke neiging om te geloven dat beelden de werkelijkheid laten zien. Dankzij dit naïeve realisme vinden we het vaak niet nodig om over de betekenissen van camerabeelden of een foto te discussiëren: de beelden spreken voor zichzelf.  Maar beelden spreken niet voor zichzelf. De kijkers doen dat, zij interpreteren het beeld. Een kijker kan van mogelijk verschillende interpretaties bewust worden wanneer duidelijk wordt dat iemand anders iets heel anders ziet, of wanneer men beelden van zichzelf terugziet die een andere situatie schetsen dan hoe hij of zij die situatie zelf heeft beleefd. Verschil in interpretaties van beeldmateriaal blijkt soms ook tijdens de zitting, wanneer de verdediging van een verdachte een andere mogelijke interpretatie toelicht. Of wanneer de interpretatie van beelden door politiemedewerkers die daar proces-verbaal van hebben opgemaakt, niet consistent is met de interpretatie van bijvoorbeeld de rechter.

Het onderzoek bouwt voort op kennis uit verschillende disciplines en op een eerder onderzoeksproject naar de inzet van beeldmateriaal in het verdachtenverhoor. Net als in dat onderzoek worden nu ook weer verschillende methoden gebruikt om zo de onderzoeksvragen het beste te kunnen beantwoorden. Eerst zullen documenten, zoals het onderwijs- en examenmateriaal van de politieopleiding, en wetenschappelijke literatuur verzameld en geanalyseerd worden. Zo wordt geïnventariseerd wat politiemedewerkers leren over het interpreteren van beelden, de problemen die spelen bij het interpreteren en welke richtlijnen en kijkinstructies er al bestaan om beelden op een goede manier te duiden. Hieruit moet blijken hoe mogelijke cognitieve vertekeningen (biases) het beste tegengegaan kunnen worden. Vanderveen: “In een experiment onder politiemedewerkers zullen we onderzoeken welke kijkinstructies het beste werken. Dit zal de basis vormen voor een ‘kijkwijzer’ voor de praktijk. Gedurende het hele onderzoek vragen we input van die praktijk zodat we ook in overleg het onderzoek kunnen verfijnen.”

Gezien de toename van beeldmateriaal en de verwachting dat beeldmateriaal ook steeds vaker tijdens strafrechtzaken zal worden gebruikt, is dit onderzoek zowel wetenschappelijk als praktisch relevant.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u terecht bij Gabry Vanderveen via vanderveen@law.eur.nl.

Bron afbeelding: fragment uit de infographic die Dirma Janse maakte voor het onderzoek naar de inzet van beeldmateriaal in het verdachtenverhoor.