Hoe zit het met de rechtspositie van onterecht veroordeelden in Nederland?

In de vierde editie van Erasmus Law Review van 2020 wordt het thema herzieningsprocedures in Europa toegelicht. In een tijd van toenemende harmonisatie, en rechtsvergelijking en door de opkomst van nieuwe wetenschappelijke mogelijkheden om bewijsmateriaal te verzamelen en te analyseren, is het belangrijk om meer te leren over het wettelijk kader en de praktische toepassingen van herzieningswetgeving in Europa.

Nina Holvast, universitair docent Empirical Legal Studies, en Joost Nan, universitair hoofddocent Straf(proces)recht, beiden verbonden aan Erasmus School of Law, waren betrokken als redactie van het themanummer. Ook schreven zij, met Sjarai Lestrade (Radboud Universiteit Nijmegen), een artikel over de ontwikkelingen in de procedure rondom onterechte veroordelingen in Nederland, alsmede een overkoepelende bijdrage met als conclusie dat meer Europees onderzoek naar de adequate werking van herzieningsmechanismen nodig is.

Het effect van nieuwe wetgeving op het Nederlandse herzieningsrecht

De mogelijkheden om onder de Nederlandse wetgeving gesloten rechtszaken te herzien was traditioneel beperkt. De voornaamste reden hiervoor was dat er veel nadruk werd gelegd op het principe van finaliteit. In 2012 is een stap in de goede richting gezet doordat er nieuwe wetgeving aangenomen is waarin de mogelijkheden om herziening aan te vragen enigszins worden verruimd. Het doel van deze wetgeving was om een betere balans te vinden tussen juridische bescherming tegen onterechte veroordelingen en het idee van rechtszekerheid door een juridische procedure te hebben die eindig is. In het artikel in Erasmus Law Review door Holvast, Nan and Lestrade wordt, net als in eerder onderzoek in opdracht van het WODC, onderzocht of deze nieuwe wetgeving er ook daadwerkelijk voor zorgt dat deze balans wordt gevonden.

Geen stijging in heropende zaken

Uit het (nadere) onderzoek blijkt dat de nieuwe wetgeving inderdaad voor een betere balans heeft gezorgd. Het debat over de geschiktheid van de huidige mogelijkheid om rechtszaken na de veroordeling te heropenen, is echter niet verstomd. Het valt verder op dat de nieuwe wetgeving na een korte stijging niet heeft geleid tot veel meer nieuwe herzieningsverzoeken.

Uit het onderzoek blijken drie uitdagingen voor het huidige systeem. Ten eerste blijft het de vraag of het juridisch criterium om een zaak te heropenen op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (het novum-criterium) altijd voldoende ruimte biedt om onjuiste vonnissen te vernietigen. Een recent voorbeeld waarin dit nadrukkelijk naar voren komt is de Arnhemse Villamoordzaak. Ten tweede lijkt de mogelijkheid om een zaak opnieuw te onderzoeken voordat een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad wordt ingediend (met advies van de Advies Commissie Afgesloten Strafzaken), beperkte resultaten op te leveren, hoewel deze mogelijkheid in eerste instantie als welkom instrument werd beschouwd om herzieningsverzoeken te kunnen onderbouwen. Tot slot zou de juridische vertegenwoordiging, in combinatie met de beperkte vergoeding die advocaten ontvangen voor rechtsbijstand, een obstakel kunnen vormen voor voormalige verdachten om een herzieningsverzoek in te dienen, met name voor degenen met beperkte middelen.

Aanvullende uitdagingen

Afsluitend wordt gesteld dat door de geringe hoeveelheid jurisprudentie die er tot op heden is, het nog valt te bezien hoe de criteria voor het heropenen van gesloten zaken in de praktijk zullen uitpakken. Het blijft dus afwachten of de juiste balans is gevonden.

Universitair Docent
Universitair Hoofddocent

Joost Nan, universitair hoofddocent Straf(proces)recht

Meer informatie

Lees hier het volledige artikel in Erasmus Law Review.

Lees hier het overkoepelende artikel in Erasmus Law Review.