Miljoenen mensen over de hele wereld zitten gevangen in moderne slavernij en worden gedwongen om onder gevaarlijke omstandigheden te werken aan de productie van goederen die uiteindelijk in de Europese winkelschappen terechtkomen. Kinderarbeid in mijnen en op velden. Rivieren die zwart kleuren door fabrieksafval. En toch worden de bedrijven aan de top van de toeleveringsketens die hiervan profiteren zelden ter verantwoording geroepen. Op 17 juli 2026 verdedigt Alexander Gian-Carlo Baumann zijn proefschrift aan Erasmus School of Law. Hij schreef zijn dissertatie aan Erasmus School of Law en de Universiteit van Luzern, onder begeleiding van Klaus Mathis en Michael Faure, waarin hij de vraag stelt: hoe kan de verantwoordelijkheid van transnationale ondernemingen worden gereguleerd?
Het probleem met ''vrijwillig doen''
Decennialang was de vrijwillige aanpak de norm op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bedrijven publiceerden duurzaamheidsverslagen, ondertekenden toezeggingen en stelden gedragscodes op, maar zonder wettelijke handhavingsmogelijkheden konden deze toezeggingen gemakkelijk worden genegeerd. In zijn onderzoek gaat Baumann na wat er gebeurt wanneer overheden ingrijpen en verantwoordelijkheid verplicht stellen.
In zijn proefschrift vergelijkt hij twee regelgevingspogingen: de huidige Zwitserse nationale wetgeving inzake due diligence door bedrijven en de EU-richtlijn inzake due diligence op het gebied van duurzaamheid door bedrijven (EU CSDDD), die in juli 2024 in werking is getreden. Het oordeel is duidelijk. "De Zwitserse normen moeten worden aangemerkt als een mislukte poging”, zegt Baumann, "terwijl de EU CSDDD een haalbare aanpak vertegenwoordigt, zelfs in haar huidige, afgezwakte vorm.” De EU-richtlijn is verre van perfect. Ze is tijdens de onderhandelingen aanzienlijk afgezwakt en is inmiddels alweer gewijzigd, maar ze wijst wel de juiste richting.
Een nieuwe invalshoek: recht en economie combineren
Wat het onderzoek van Baumann zo bijzonder maakt, is niet alleen wat hij bestudeerde, maar ook hoe. Hij combineert traditionele juridische analyse met economische theorie, een benadering die bekendstaat als ‘law and economics’. Hierdoor kan hij wettelijke regels niet alleen beoordelen door te vragen of ze in overeenstemming zijn met de wil van de wetgever, maar ook door te vragen of ze werken, oftewel of ze de juiste prikkels creëren voor bedrijven om hun gedrag aan te passen.
Cruciaal is echter dat Baumann niet simpelweg het gangbare economische denken toepast. Het traditionele neoklassieke model, dat efficiëntie boven alles stelt, schiet tekort bij het aanpakken van milieuvernietiging en, nog meer, bij schendingen van de mensenrechten. Daarom breidt hij het uit. Zijn innovatieve methodologie is werkelijk multi- en interdisciplinair. "De twee onderliggende benaderingen, de juridische en de economische, moeten niet worden gezien als rivaliserend, maar eerder als een vruchtbare combinatie van verschillende perspectieven en normatieve doelstellingen“, legt hij uit. Het resultaat is een kader dat efficiëntie serieus neemt zonder duurzaamheid en rechtvaardigheid op te offeren.
Op basis van deze analyse formuleert Baumann tien regelgevingsprincipes en stelt hij een nieuw model voor maatschappelijk verantwoord ondernemen voor. Twee voorwaarden komen daarbij als fundamenteel naar voren: oprechtheid van intentie en de moed om een holistische visie te hanteren. Beperkte en gefragmenteerde oplossingen zijn volgens hem niet voldoende.
Wie profiteert ervan, en wie blijft er nog achter?
Baumann is heel duidelijk over voor wie zijn onderzoek bedoeld is. Beleidsmakers krijgen een reeks concrete instrumenten aangereikt om betere wetgeving op te stellen. Bedrijven leren zowel over hun wettelijke verplichtingen als over de daadwerkelijke kansen die verantwoord beheer van de toeleveringsketen met zich meebrengt. Maar een derde groep is net zo belangrijk: de slachtoffers zelf.
“Mensen die te maken hebben met moderne slavernij, kinderarbeid en milieuschade moeten weten wat de reikwijdte is van hun legitieme aanspraken jegens beleidsmakers en bedrijven”, zegt Baumann. “Die kennis helpt hen uiteindelijk om hun rechten te verdedigen en uit te oefenen.” In een vakgebied dat vaak wordt gedomineerd door bedrijfsbelangen en technisch-juridische discussies, vormt deze focus op de mensen aan het andere eind van de toeleveringsketen een zinvolle tegenwicht.
Voor consumenten en het bredere publiek helpt het onderzoek ook om een fundamentele onbalans te verminderen: de meeste mensen hebben geen idee onder welke omstandigheden de producten die ze kopen tot stand komen. Regels inzake transparantie en verantwoording kunnen, mits goed ontworpen, daar verandering in brengen.
Waarom dit nu belangrijk is
Het debat over de verantwoordelijkheid van transnationale ondernemingen is nog lang niet beslecht. De EU-richtlijn inzake de verantwoordelijkheid van transnationale ondernemingen (CSDDD) blijft omstreden, nationale regeringen herzien hun eigen aanpak en er wordt nog steeds empirisch bewijs verzameld over hoe deze wetgeving in de praktijk uitpakt. Het onderzoek van Baumann komt precies op het juiste moment.
Zijn interesse in het onderwerp gaat verder terug dan de wetenschappelijke literatuur. In 2015 werkte hij pro bono in Sydney aan een project op het gebied van mensenrechten en duurzaamheid. "Ik realiseerde me voor het eerst hoe groot de problemen van moderne slavernij, kinderarbeid en milieuschade zijn“, herinnert hij zich. "De vraag rees waarom die problemen nog steeds niet zijn opgelost.“ Die vraag mondde uit in een masterscriptie en vervolgens in een doctoraat.
Terugkijkend op het traject blijft Baumann op zijn kenmerkende nuchtere manier bij de feiten. "Het voltooien van een project zoals een proefschrift is het succes; al het andere is een bonus.” En voor degenen die net beginnen, is zijn advies eenvoudig: "Je komt er wel. Blijf gewoon doorgaan, stap voor stap.”
- Promovendus
