Rapport Erasmus School of Law-onderzoekers naar Tweede Kamer

Eerder deze week is het rapport over de tbs-weigeraarsproblematiek van een groep onderzoekers van de sectie Strafrecht openbaar gemaakt. Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan een brief die minister Sander Dekker voor Rechtsbescherming heeft aangeboden aan de Tweede Kamer.

Het feit dat sommige verdachten weigeren mee te werken aan gedragskundig onderzoek om zo de kans op tbs-oplegging te verkleinen, wordt in de strafrechtspleging en de politiek al langere tijd als een probleem ervaren. Zowel in de politiek als vanuit de praktijk zijn voorstellen gedaan om dit aan te pakken. De minister van Justitie en Veiligheid had de beide Kamers van de Staten-Generaal toegezegd deze voorstellen mee te nemen in een breed onderzoek naar maatregelen die deze problematiek kunnen aanpakken.

Op verzoek en in opdracht van het ministerie hebben prof. mr. Paul Mevis, prof. mr. Sanne Struijk en mr. dr. Michiel van der Wolf van de sectie Strafrecht van Erasmus School of Law de juridische haalbaarheid van twaalf eerder gedane voorstellen getoetst. Daartoe zijn de voorstellen zowel vanuit het nationaal rechtelijk stelsel van straf- en strafprocesrecht bezien als vanuit het Europeesrechtelijk perspectief van regels voor vrijheidsbeneming van vrijheidsbeneming van delinquenten die in verband met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens een gevaar voor de samenleving worden geacht. Voor deze groep delinquenten is de tbs-maatregel met name bedoeld.

In het rapport zijn enige algemene aspecten van het EVRM/EHRM-recht belicht, alsook de plaats van de factor ‘stoornis’ in het (juridisch) concept tot het opleggen van tbs. Daarnaast is met name veel aandacht besteed aan het aan verschillende voorstellen gemeenschappelijk element van het tot op zekere hoogte uit elkaar halen van de beslissing over de sancties en een latere beslissing tot (alsnog) oplegging of voortzetting van de tbs. Deze optie wordt door de onderzoekers als uiterst problematisch gekwalificeerd, omdat daarmee de samenhang in de door de rechter op te leggen van sanctie(s) ter zake van een bewezenverklaard strafbaar feit te zeer wordt doorbroken. Ook procedureel is een dergelijke scheiding niet wenselijk.

Het rapport wordt afgesloten met een slotbeschouwing, waarin een aantal voorstellen in samenhang met elkaar wordt bezien. Deze slotbeschouwing wijst er daarnaast op dat van nieuwe, reeds in het Staatsblad verschenen wetgeving voor dit onderwerp, nog niet bekend is wat de betekenis zal zijn. De onderzoekers bevelen dan ook aan om de werking daarvan af te wachten alvorens eventueel nadere stappen te zetten. Uit de brief van de minister blijkt dat hij de conclusies van de onderzoekers in grote lijnen volgt. Geen van de getoetste, maar als niet aanbevelenswaardig bevonden voorstellen wordt door hem overgenomen.