Een kapotte wasmachine hoeft straks niet meteen op de vuilnisbelt te belanden. Dankzij een nieuwe EU-richtlijn krijgen consumenten meer mogelijkheden om producten te laten repareren, ook nadat de garantie is verlopen. RTL Nieuws berichtte over de invoering van de Richtlijn recht op reparatie, die het gemakkelijker moet maken om kapotte apparaten te laten repareren in plaats van te vervangen. Nederland moet de richtlijn nog omzetten in nationale wetgeving: het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Tweede Kamer en is dus nog niet definitief. Maar hoe revolutionair is deze richtlijn eigenlijk? Josje de Vogel, universitair docent burgerlijk recht aan Erasmus School of Law, vertelt over de veranderingen en de beperkingen daarvan.
Reparatieplicht met uitzonderingen
De roepnaam van de richtlijn wekt volgens De Vogel een verkeerde indruk. "De naam wekt de indruk dat consumenten vanaf nu simpelweg 'recht hebben' op reparatie, alsof ze bij elk defect gewoon naar de winkel of fabrikant kunnen stappen en reparatie kunnen eisen. De werkelijkheid ligt genuanceerder." Dat wil niet zeggen dat consumenten voorheen met lege handen stonden: al onder het bestaande consumentenrecht kan een koper bij een gebrekkig product kosteloos herstel of vervanging eisen van de verkoper. Dat recht geldt echter alleen bij non-conformiteit binnen de garantietermijn.
De nieuwe richtlijn voegt daar een aparte, bredere verplichting aan toe. Voor een beperkte lijst producten, zoals stofzuigers, wasmachines, smartphones en tablets, moeten fabrikanten voortaan ook buiten de garantieperiode reparatie aanbieden, zij het vaak tegen betaling. Maar zelfs dan kan de fabrikant weigeren als reparatie "feitelijk of juridisch onmogelijk" is. Een begrip dat de richtlijn zelf niet definieert. Dat kan volgens De Vogel in het nadeel van de consument werken: "Dit kan het voor een fabrikant eenvoudiger maken om zich op de uitzondering te beroepen, terwijl de consument doorgaans in een aanzienlijk nadeliger bewijspositie verkeert om aan te tonen dat reparatie wél mogelijk was."
Een garantie met een addertje
De richtlijn regelt eigenlijk twee verschillende zaken die makkelijk door elkaar te halen zijn: een nieuwe reparatieplicht voor fabrikanten, en een aanpassing van de bestaande garantiebescherming bij de verkoper.
Zonder de richtlijn heeft een consument geen enkele juridische mogelijkheid om een fabrikant tot reparatie te dwingen. Alleen de verkoper is aanspreekbaar, en dat geldt bovendien alleen bij non-conformiteit: een gebrek dat al bij levering aanwezig was. Ontstaat een defect later, bijvoorbeeld door normale slijtage, dan staat de consument met lege handen. "Consumenten hebben nu geen juridische mogelijkheid om fabrikanten tot reparatie te verplichten, omdat er tussen consument en fabrikant geen overeenkomst bestaat waaraan een dergelijke verplichting kan worden ontleend," legt De Vogel uit. De richtlijn introduceert daarom een zelfstandige verplichting die dit gat opvult: fabrikanten van een beperkte lijst producten, zoals wasmachines, vaatwassers, stofzuigers, smartphones en tablets, moeten op verzoek van de consument repareren, ook na afloop van de garantieperiode, tegen een redelijke prijs. Deze verplichting geldt niet als reparatie feitelijk of juridisch onmogelijk is. Het Nederlandse wetsvoorstel neemt deze verplichting nagenoeg ongewijzigd over.
Los daarvan verandert er ook iets aan de bestaande garantiebescherming bij de verkoper. In de hele EU geldt een minimale garantietermijn van twee jaar: gaat een product binnen die periode kapot door een gebrek dat er al bij levering was, dan moet de verkoper dit kosteloos repareren of vervangen. Die twee jaar is echter een Europees minimum, geen maximum. Lidstaten mogen een langere termijn hanteren, maar geen kortere. Nederland maakt daar gebruik van door geen vaste termijn vast te leggen: hier moet een product zo lang meegaan als de consument redelijkerwijs mag verwachten op basis van de levensduur, wat per productsoort korter, maar ook veel langer dan twee jaar kan zijn. Gedurende het eerste jaar na levering geldt daarbij een wettelijk bewijsvermoeden dat een gebrek al bij levering bestond; daarna rust de bewijslast op de consument.
De richtlijn voegt hier een verplichting aan toe: kiest een consument bij non-conformiteit voor herstel in plaats van vervanging, dan moet de aansprakelijkheidstermijn van de verkoper eenmalig met twaalf maanden worden verlengd. Voor lidstaten met een vaste garantietermijn van twee jaar is dat een simpele optelling. Voor lidstaten zonder vaste termijn, zoals Nederland, biedt de richtlijn een alternatief: zij kunnen in plaats daarvan kiezen voor een vaste non-conformiteitstermijn van drie jaar, of voor een verjaringstermijn van ten minste drie jaar.
Nederland kiest voor die laatste route. Een vaste termijn van drie jaar zou volgens de wetgever een breuk betekenen met het bestaande open stelsel, en zou bovendien nadelig uitpakken voor producten die redelijkerwijs langer dan drie jaar meegaan: hun bescherming zou dan juist worden ingekort in plaats van verlengd. In plaats daarvan wordt de bestaande verjaringstermijn van twee jaar, specifiek na een reparatie, verlengd tot drie jaar. De conformiteitsperiode zelf, dus de vraag hoelang een product goed moet blijven werken, blijft in Nederland gekoppeld aan de verwachte levensduur. Alleen de verjaringstermijn, de deadline om na een gemeld gebrek een vordering in te stellen, wordt na herstel met een jaar verlengd.
De toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft overigens haar twijfels geuit over de vraag of consumenten hier in de praktijk veel baat bij zullen hebben, omdat het bestaande open stelsel via de verwachte levensduur vaak al een vergelijkbare mate van bescherming biedt.
Los van deze route blijft bovendien het probleem bestaan waar De Vogel eerder op wees: het wettelijk bewijsvermoeden geldt niet tijdens de verlengde periode. "Treedt er een nieuw defect op, dan moet de consument zelf bewijzen dat het al bestond op het moment van levering. Zonder technische expertise is dat voor een consument zeer ingewikkeld."
Blijft vervanging de norm?
Of de richtlijn daadwerkelijk gedrag gaat veranderen, is volgens De Vogel nog onzeker. "Bijna elke maatregel in de richtlijn veronderstelt een actieve, bewuste consument." Mensen moeten zelf kiezen voor reparatie, zelf een reparateur zoeken via het nieuwe Europese platform, zelf om een opgeknapt vervangend product vragen. Uit eerder onderzoek blijkt bovendien dat consumenten nu vaak voor vervanging kiezen, om redenen als prijs, de aantrekkingskracht van nieuwe producten en twijfels over reparatiekwaliteit.
Toch ziet De Vogel ook lichtpuntjes. De reparatieverplichting van de fabrikant is, in tegenstelling tot de informatieverplichtingen elders in de richtlijn, wel een echt afdwingbaar recht en deze verplichting keert in het Nederlandse wetsvoorstel vrijwel ongewijzigd terug. En het recht op een kosteloos vervangend product tijdens reparatie binnen de garantie neemt volgens haar mogelijk "een belangrijk praktisch bezwaar tegen reparatie weg". Toch blijft de vraag: "of dat duwtje groot genoeg is om ingesleten consumentengedrag om te buigen, valt te betwijfelen."
Verschillen tussen lidstaten
Lidstaten moeten volgens de richtlijn minimaal één maatregel nemen om reparatie te bevorderen, zoals vouchers of voorlichtingscampagnes, maar mogen zelf bepalen hoe. Welke maatregel Nederland hiervoor kiest, staat nog niet vast. De richtlijn laat op dit punt dus ruimte aan lidstaten, en dat heeft volgens De Vogel een keerzijde. "Een consument in de ene lidstaat kan zo een aanzienlijk grotere financiële prikkel krijgen om voor reparatie te kiezen dan een consument elders, terwijl de onderliggende reparatieverplichtingen en informatievereisten uit de richtlijn voor beiden gelijk zijn." Dat kan mogelijk de interne markt verstoren en leiden tot oneerlijke concurrentie tussen reparatiesectoren in verschillende landen.
Reparatie tot eerste keuze maken, is dat mogelijk en wenselijk?
Volgens De Vogel had de richtlijn op meerdere punten verder kunnen gaan. Een bredere productlijst zou het effect van de reparatieverplichting direct vergroten. Het handhaven van het bewijsvermoeden tijdens de verlengde garantieperiode had de garantie meer waarde gegeven. En het oorspronkelijke, ambitieuzere richtlijnvoorstel, waarin de vrije keuze tussen reparatie en vervanging binnen de garantie werd ingeperkt, had een dwingender signaal afgegeven. Die aanpassing heeft het uiteindelijk niet gehaald.
De richtlijn zet volgens De Vogel dus wel stappen, vooral op het gebied van informatie en een beperkte reparatieplicht voor fabrikanten. Maar de dwingende kracht om reparatie werkelijk tot eerste keuze te maken, ontbreekt grotendeels. Hoe dit in Nederland concreet gaat uitpakken, is bovendien nog niet definitief. Het implementatiewetsvoorstel ligt op dit moment nog bij de Tweede Kamer en kan nog wijzigen.
- Universitair Docent
- Meer informatie
Lees hier de publicatie Richtlijn recht op reparatie: revolutionair of
lege dop?Lees hier het RTL-artikel
- Gerelateerde content
