Stel je bent tien jaar geleden getuige geweest van een strafbaar feit. Je hebt destijds een verklaring afgelegd bij de politie. Nu, een decennium later, word je opnieuw opgeroepen. Wat herinner je je nog werkelijk en wat herhaal je eigenlijk gewoon uit je oude verklaring? Getuigenverklaringen zijn een hoeksteen van het strafrecht. Maar hoe betrouwbaar is het menselijk geheugen eigenlijk? Jeanne Gaakeer, professor emerita aan Erasmus School of Law, onderzocht de feilbaarheid van geheugen in de rechtszaal. Haar conclusie is dat ''het geheugen minder betrouwbaar is dan vaak wordt gedacht en dat dit meer aandacht in de rechtspraktijk moet krijgen.''
Geheugen als construct
Het zijn precies dit soort vragen dat Jeanne Gaakeer bezighoudt. Als professor emerita aan Erasmus School of Law en voormalig raadsheer bij het Gerechtshof Den Haag kent ze de rechtszaal van binnenuit, zowel als wetenschapper en als rechter. In haar recent gepubliceerde artikel Down Memory Lane: (In)fallibility of Memory in Court trekt ze een heldere conclusie: geheugen is geen video-opname, maar een actief reconstructieproces en de rechtspraktijk onderschat de betrouwbaarheid van dat proces structureel.
Elke keer dat je een herinnering ophaalt, bouw je die opnieuw op. Daarbij kunnen fouten insluipen: door de tijd die verstreken is, door emoties, door wat anderen je hebben verteld, of door de manier waarop je ondervraagd bent. "Wees niet direct stellig," zegt Gaakeer. "Laat twijfel toe. Als iemand zegt 'ik weet het allemaal nog heel goed', moet je als rechter niet direct conclusies trekken, maar eerst die mededeling parkeren en jezelf afvragen: kan het kloppen? Vind ik het overtuigend?"
Dat klinkt logisch, maar in de praktijk is het moeilijker dan het lijkt. Want zo vertelt Gaakeer “ook juridische professionals, hebben net als iedereen, last van de zogenoemde confirmation bias: de onbewuste neiging om bewijs te zoeken dat bevestigt wat je al denkt.”. Ze illustreert het met een voorbeeld: “iemand roept 'houd de dief' in een supermarkt. Achter wie ga je aan? Hoogstwaarschijnlijk achter degene die er het meest 'verdacht' uitziet ook al weet je op dat moment helemaal niet wat er is gebeurd.”
Trauma vertroebelt het geheugen
Niet alleen vooroordelen spelen een rol. Ook emotie, stress en trauma kunnen herinneringen diepgaand verstoren en dat heeft directe gevolgen in de rechtszaal. Slachtoffers van ernstige misdrijven, misbruik of gewapende conflicten die soms jaren later getuigen, hebben geheugens die door trauma onvolledig of vervormd kunnen zijn. Niet omdat ze liegen, maar omdat dat nu eenmaal is hoe trauma werkt. Een herinnering ophalen is dan pijnlijk en fragmentarisch, en het getuigen zelf kan opnieuw traumatiserend zijn.
“Dat maakt de beoordeling van zulke verklaringen uiterst complex. Een inconsistent verhaal hoeft geen teken van onbetrouwbaarheid te zijn; het kan ook een teken zijn van wat iemand heeft meegemaakt”, aldus Gaakeer.
Suggestieve vragen kunnen leiden tot valse herinneringen
Ook de manier waarop vragen worden gesteld blijkt van groot belang. Gaakeer vertelt: “Suggestieve vragen, vragen die al een bepaald antwoord in zich dragen, kunnen mensen dingen laten 'herinneren' die nooit zijn gebeurd. Dat geldt extra sterk voor kinderen en mensen met een cognitieve beperking.” Gaakeer beschrijft hoe zelfs verhoorpraktijken die bedoeld zijn om de waarheid boven tafel te krijgen averechts kunnen werken. ''Ze kunnen er zelfs toe leiden dat mensen iets bekennen dat ze niet hebben gedaan.''
Het verhaal achter de verklaring
Hier komt Gaakeers eigen wetenschappelijke invalshoek in beeld, die haar onderzoek onderscheidt van puur psychologisch werk. Naast haar juridische achtergrond houdt ze zich bezig met narratologie: de wetenschap die bestudeert hoe verhalen zijn opgebouwd. ''En die lens'', zo stelt ze, “is ook in de rechtszaal onmisbaar.”
Een getuigenverklaring is immers geen opsomming van feiten, het is een verhaal. En verhalen hebben structuur: een tijdslijn, een logica, een manier van vertellen. Als iemand meerdere keren over hetzelfde voorval heeft verklaard, is de vraag niet alleen wát er is gezegd, maar ook hóe. Kloppen de tijdsaanduidingen? Zitten er tegenstrijdigheden tussen vroegere en latere verklaringen? Worden bepaalde details steeds uitgebreider naarmate de tijd vordert?
Lessen voor de rechtspraktijk
De inzichten die Gaakeer beschrijft zijn niet nieuw. Al in de negentiende eeuw stelden psychologen vast dat geheugen onbetrouwbaar is. “Toch lijkt de rechtspraktijk die kennis maar moeizaam op te pikken.” Gaakeer wijst op een structureel probleem: “het Nederlandse strafrecht is sterk gericht op een vaste set wettelijke bewijsmiddelen. Daarbinnen is weinig ruimte én te weinig aandacht voor de vraag hoe die bewijsmiddelen tot stand zijn gekomen en wat er psychologisch bij een getuige of verdachte speelt.”
Daar komt bij dat rechters en politiemensen het te druk hebben. "In de rechtspraak is er gebrek aan geld en aan tijd," zegt Gaakeer. "Rechters en gerechtssecretarissen werken structureel over." Bijscholing over geheugenpsychologie kost tijd en die is er simpelweg niet altijd.”
Laat ruimte voor twijfel
Gaakeer pleit voor een concrete omslag. “Maak kennis over de feilbaarheid van het menselijk geheugen een vast onderdeel van de juridische opleiding, vanaf dag één, voor advocaten, officieren van justitie én rechters. Niet als bijvak, maar als kern.''
Maar opleiding alleen is niet genoeg. Wat Gaakeer uiteindelijk bepleit, is een andere grondhouding in de rechtszaal: “minder zelfverzekerdheid, meer bewustzijn van de eigen blinde vlekken. Doorvragen. Letten op hoe iemand iets vertelt, niet alleen op wat. En vooral: ruimte laten voor twijfel.''
Haar boodschap aan iedereen die in de rechtszaal werkt is uiteindelijk simpel: "Absolute objectiviteit is een illusie. Twijfel toelaten is geen zwakte, maar juist een vereiste voor een eerlijk proces."
- Professor
- Meer informatie
Publicatie Down Memory Lane: (In)fallibility of Memory in Court
- Gerelateerde opleiding
