Nu Albert Heijn en andere supermarkten bodycams inzetten om agressie terug de dringen, rijst de vraag: werkt het, en mag het zo maar? Marc Schuilenburg, Hoogleraar Digitale Surveillance aan Erasmus School of Law, nuanceert in de Volkskrant de verwachtingen en waarschuwt voor een breder patroon.
Al jaren kampen supermarkten in Nederland met een structureel probleem: medewerkers worden steeds vaker geconfronteerd met verbale en fysieke agressie van klanten. Albert Heijn ontvangt jaarlijks duizenden meldingen van zulke incidenten. Om dit terug te dringen startte de supermarktketen een pilot bij vier vestigingen waarbij beveiligers bodycams dragen. De camera gaat pas aan bij een incident, de beveiliger kondigt dit aan, en de klant ziet via een schermpje op de camera precies wat er wordt gefilmd. Beelden worden maximaal veertien dagen bewaard en zijn enkel toegankelijk voor managers en veiligheidsdeskundigen.
Albert Heijn staat er niet alleen voor. Dirk introduceerde twee jaar geleden bodycams in een aantal vestigingen, waarbij niet beveiligers maar teamleiders en managers de apparaten dragen. De NS kondigde vorige maand aan dat alle hoofdconducteurs bodycams zullen krijgen. Bodycams zijn daarmee geen experiment meer aan de rand van de samenleving; je treft ze aan in de supermarkt, in het openbaar vervoer, en steeds vaker ook op straat.
Wat weten we eigenlijk over de effectiviteit?
De hoop is dat het zichtbare aanwezigheid van een camera ruziemakers afschrikt en gewelddadige situaties de-escaleert. Albert Heijn beroept zich op ervaringen bij politie en boa's, waar bodycams al langer worden ingezet en positief worden geëvalueerd. Dirk meldt dat het aantal incidenten in winkels met bodycams aantoonbaar is afgenomen en dat zowel medewerkers als klanten zich veiliger voelen, maar concrete cijfers ontbreken.
Schuilenburg is kritisch op die redenering. Mensen zien camera's als haarlemmerolie, stelt hij: een universeel wondermiddel dat alle problemen zou kunnen oplossen. Maar de wetenschappelijke basis voor het de-escalerende effect van bodycams is beperkter dan vaak wordt gesuggereerd. "We weten heel weinig over de meerwaarde, en of het preventief werkt", zo legde hij uit in de Volkskrant. “Bij de introductie van een nieuwe technologie als de bodycam is er in de eerste weken altijd veel enthousiasme en zie je ook een verbetering van het veiligheidsgevoel onder het personeel. Dat is een sociologische constante”, zegt Schuilenburg.
Maar de kracht van bodycams schuilt volgens hem elders: in de opsporing van daders achteraf, en in het vermogen van organisaties om van opgenomen beelden te leren hoe zij hun dienstverlening kunnen aanpassen om agressie structureel te verminderen. Dat laatste gebeurt nog veel te weinig, zegt Schuilenburg: “Met AI-analyse van beeld en geluid kan veel worden geleerd van situaties waarin agressie, paniek en conflict zich voordoen tussen burgers en professionals. Denk aan geweld in het openbaar vervoer (BOA’s); agressie tijdens Oud en Nieuw (hulpverleners); slecht nieuws gesprekken (arts of politieagent); of de emoties tijdens een 112-gesprek.”
Schuilenburg illustreert het risico van al te groot vertrouwen in technologische oplossingen met een onderzoek dat door één van zijn promovendi, Martijn Wessels, is uitgevoerd. In Den Haag werd een zogeheten geweldsdetectie-tool ingezet door de politie: een AI-systeem dat aan de hand van bewegingspatronen zou kunnen detecteren of fysiek geweld op het punt stond uit te breken. In de praktijk bleek het systeem onder meer te lijden aan een grote hoeveelheid fout-positieven: een wapperende vlag, een opgewonden gesprek of zelfs een springende hond was voldoende om af te gaan. Gaandeweg nam ook het vertrouwen af van de politieagenten in de AI-toepassing en werd het steeds minder gebruikt. Na het onderzoek werd het systeem stilgezet. "De les is helder," zegt Schuilenburg. "Technologie die probleemoplossend klinkt, kan in de praktijk meer ruis dan duidelijkheid genereren."
Het juridisch kader: mag het zomaar?
Het inzetten van bodycams door private partijen is juridisch niet verboden, maar is gebonden aan strenge voorwaarden. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant moet zijn, en gebonden aan een legitiem doel. Beelden van een bodycam bevatten vrijwel altijd persoonsgegevens, elk opgenomen beeld bevat ook gegevens van mensen die toevallig in de buurt staan, klanten die niets hebben misdaan maar toch in beeld komen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de Nederlandse toezichthouder op het gebied van gegevensbescherming, benadrukte in een reactie aan de Volkskrant dat bodycams een grote impact hebben op de privacy en vrijheden van klanten, "zeker boven op al het andere cameratoezicht in supermarkten". De toezichthouder stelt dat bodycams daarmee slechts in uitzonderlijke gevallen mogen worden ingezet. Supermarkten moeten kunnen aantonen dat het middel noodzakelijk is, dat de bodycams daadwerkelijk het beoogde de-escalerende effect hebben, en dat de beelden adequaat zijn beveiligd. De verantwoordelijkheid voor de naleving van deze regels ligt bij de organisatie zelf.
Hier komen twee centrale juridische beginselen in beeld: proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit vereist dat de inbreuk op grondrechten, in dit geval het recht op privacy en de persoonlijke levenssfeer, niet groter is dan strikt noodzakelijk om het nagestreefde doel te bereiken. Subsidiariteit stelt de vraag of het doel niet ook met minder ingrijpende middelen kan worden bereikt. Juist op dit punt biedt het academische debat interessante inzichten.
Menselijke aanpak als alternatief: de kracht van informele surveillance
Schuilenburg wijst op empirisch onderzoek naar agressiepreventie in de publieke ruimte. Zo is uit meerdere studies gebleken dat de inzet van herkenbare personen, al dan niet in een hesje, die op drukke momenten door een uitgaansgebied of winkelstraat lopen en op een informele manier contact maken met bezoekers, aanzienlijk effectiever is in het voorkomen van geweld dan cameratoezicht. Op het Stadhuisplein in Eindhoven bleek dat een camera het geweld niet deed afnemen, maar dat zichtbare aanwezigheid van personen die in staat waren tot directe, menselijke bejegening dat wél deed.
Dit type aanpak, ook wel bekend als "informele surveillance”, speelt in op de menselijke neiging om gedrag aan te passen in reactie op sociale interactie, niet op technische en afstandelijke manieren van controle. Schuilenburg verwoordt het zo: “Empathie ontstaat juist in de ontmoeting.” Het onderstreept dat de keuze voor bodycams ook een subsidiariteitsvraagstuk is: heeft de supermarkt eerst de alternatieven overwogen en onderzocht, of grijpt zij direct naar een technologische oplossing omdat die goedkoper is?
Normalisering van surveillance: een sluipend risico
Schuilenburg signaleert een bredere maatschappelijke tendens. Tien jaar geleden was een bewakingscamera nog iets bijzonders; tegenwoordig is cameratoezicht zo alomtegenwoordig geworden dat het zijn afschrikwekkende werking grotendeels heeft verloren. Wanneer mensen niet meer nadenken over de aanwezigheid van camera's, verdwijnt ook het disciplinerende effect. De vraag is dan of bodycams in supermarkten werkelijk een nieuw niveau van veiligheid toevoegen, of dat zij slechts de volgende stap zijn in een voortgaand normaliseringsproces van surveillance-toepassingen.
Die normalisering heeft ook een politieke dimensie. In zijn grotere analyse wijst Schuilenburg op de paradox dat mensen enerzijds verwijzen naar Big Brother-scenario’s en de overheid wantrouwen, maar anderzijds zonder aarzeling zelf producten aanschaffen om zichzelf en anderen te bekijken, van de Apple Watch en Fitbit tot de Amazon Ring deurbel. “We organiseren ons eigen toezicht”, zegt Schuilenburg. De bodycam in de supermarkt is daarin een tussenfiguur: het is geen overheidscamera, maar een private camera in een semi-publieke ruimte. Voor de klant die boodschappen doet, maakt het weinig verschil of de camera eigendom is van een bedrijf of van de overheid, de ervaring van gefilmd worden is dezelfde.
Een hellend vlak voor werknemers?
Naast de privacyimplicaties voor klanten, is er een tweede zorg die Schuilenburg nadrukkelijk benoemt: het effect van bodycams op de arbeidsmarkt in de beveiligingssector. Zijn vrees is dat supermarkten, naarmate bodycams gemeengoed worden, zullen gaan bezuinigen op de inzet van professionele beveiligers of de verantwoordelijkheid voor de veiligheid volledig delegeren aan kassières en vakkenvullers. Als een winkelmedewerker of teamleider dezelfde taak kan vervullen met een camera om de nek, is de prikkel om te investeren in getraind beveiligingspersoneel minder groot. "Dat is een hellend vlak", waarschuwt hij. "Langzaam maar zeker verleggen wij de verantwoordelijkheid voor de aanpak van diefstal en geweld van de politie naar opgeleide beveiliging en vervolgens naar goedkoper winkelpersoneel met bodycams.” Dat leidt tot de situatie dat werknemers ineens taken moeten uitvoeren waarvoor ze niet zijn opgeleid en die niet bij hun functie horen.
Implicaties voor beleid en regelgeving
De opmars van bodycams in de private sector stelt de wetgever en toezichthouders voor nieuwe uitdagingen. Het huidige juridische kader, gebaseerd op de AVG en beginselen als proportionaliteit en subsidiariteit, biedt kaders, maar laat ook ruimte voor interpretatie. Schuilenburg pleit voor een fundamentele beleidsvraag die aan elke technologische keuze vooraf moet gaan: “Lost dit middel het probleem daadwerkelijk op, of creëren we een oplossing voor een probleem dat we zelf hebben gecreëerd of dat we met andere middelen effectiever kunnen aanpakken?”
Dat vereist een combinatie van wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van bodycams in verschillende contexten, helderheid van de AP over wat private partijen precies wel en niet mogen, en een actief gesprek tussen werkgevers, vakbonden en de politiek over de gevolgen voor het persooneel dat deze camera´s moet dragen. De pilot van Albert Heijn is in die zin niet alleen een commerciële afweging, maar ook een maatschappelijk experiment waarvan de uitkomsten zorgvuldig zouden moeten worden gemonitord en gedeeld.
Wat de uitkomst ook zal zijn: de bodycam in de supermarkt dwingt ons na te denken over de verhouding tussen veiligheid en anonimiteit, tussen technologisch optimisme en empirisch realisme, en over de vraag wie er uiteindelijk beter van wordt wanneer de camera aanstaat.
- Meer informatie
Lees het Volkskrant artikel
- Gerelateerde content
