"De maatschappij waarin we leven is er een die heel erg gericht is op vergelding en wraak." Met dit citaat uit de documentaire Vergeven of Vergelden opende Tamar Fischer haar inaugurele rede aan Erasmus School of Law. Zwaarder straffen lijkt een logische reflex, maar leidt dat ook daadwerkelijk tot minder criminaliteit? Fischer onderzoekt wat dadergerichte interventies, de manier waarop we reageren op mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd, werkelijk effectief maakt, met oog voor de sociale omgeving, de institutionele context en het perspectief van het slachtoffer. Hoe reageren we zo effectief mogelijk op mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd, met oog voor alle betrokkenen?
Op vrijdag 5 juni 2026 sprak Fischer haar inaugurele rede uit, waarmee zij formeel haar ambt aanvaardde als hoogleraar Empirische Criminologie Dadergerichte Interventies aan Erasmus School of Law. Familieleden, vrienden, (oud-)studenten en collega's waren in groten getale aanwezig terwijl het cortège van hoogleraren onder de klanken van Rotterdam van Frédérique Spigt in toga's de aula binnenliep.
Straffen alleen is niet de oplossing
Nederland zet al twintig jaar in op een zogenaamde dadergerichte aanpak: maatwerk waarbij interventies aansluiten bij de specifieke kenmerken en omstandigheden van de pleger. Die aanpak leek aanvankelijk veelbelovend. Onderzoek uit 2014 liet zien dat de recidive, het opnieuw plegen van een strafbaar feit, tussen 2002 en 2010 met tien procent daalde. Maar de daling bleek niet duurzaam, ze vlakte af, en bij sommige groepen is de laatste jaren weer een lichte stijging te zien. Evaluaties van specifieke interventies laten bovendien maar zeer beperkte aanwijzingen voor effectiviteit zien.
Voordat Fischer haar eigen perspectief ontvouwt, schetst ze de wetenschappelijke basis waarop de dadergerichte aanpak rust. Het What Works-gedachtegoed, ontstaan in de jaren negentig in de Verenigde Staten, introduceerde evidence-based ingrijpen in de criminologie. Interventies werken beter als ze aansluiten bij de risico's, criminogene behoeften en mogelijkheden van de pleger.
Het Good Lives Model, dat aan het begin van deze eeuw opkwam, voegde een belangrijk inzicht toe. ''Plegers streven dezelfde levensdoelen als iedereen na. Denk aan innerlijke rust, vriendschap, autonomie en gemeenschapsgevoel. Het bereiken van die doelen wordt bij hen gefrustreerd door interne of externe obstakels, waardoor ze via illegale wegen deze doelen alsnog proberen te behalen. Interventies zouden er daarom op gericht moeten zijn om mensen te helpen die doelen op een legale manier te bereiken. Dit proces, geleidelijk afstand doen van crimineel gedrag, noemen criminologen desistance.'' aldus Fischer.
De institutionele context: wat er achter de schermen misgaat
Fischer introduceert in haar rede twee typen contexten die, apart en in samenspel, de effectiviteit van interventies beïnvloeden. De eerste is de institutionele context: alle instanties die betrokken zijn bij de pleger in de loop van diens criminele loopbaan.
Uit evaluatiestudies blijkt dat er over wat er in die trajecten daadwerkelijk gebeurt, vaak sprake is van een black box. Veelgenoemde knelpunten zijn capaciteitsproblemen in de strafrechtketen, trage communicatie tussen partners, en een sterke focus op risicobeheersing die de opbouw van positieve relaties met plegers overschaduwt.
Een concreet voorbeeld is het reclasseringstoezicht. Jaarlijks staan ruim 13.500 plegers onder toezicht. Reclasseringswerkers moeten hen tegelijkertijd begeleiden én controleren en daarnaast een netwerkrol vervullen: het organiseren van schuldhulpverlening, huisvesting en dagbesteding. Juist daar wringt het. Toegang tot zulke voorzieningen blijkt voor plegers structureel veel moeilijker dan voor anderen, onder meer door screening en afwijzingen bij het zoeken van werk. Fischer stelt dat er nauwelijks onderzoek bestaat naar hoe deze knelpunten de effectiviteit van het toezicht concreet verstoren.
Een breder patroon tekent zich af: de integratie van zorg en straf leidt in de praktijk vaak tot méér controle en repressie, en maar beperkt tot betere ondersteuning. Fischer herkent hierin de mechanismen die socioloog Stanley Cohen al in 1979 beschreef: het steeds uitgebreider en fijnmaziger net van interventies zorgt ervoor dat plegers die eenmaal in beeld zijn, veel sneller bestraft worden voor misstappen waarvoor anderen niet zouden worden bestraft. "Daarmee wordt hun criminele loopbaan meer en meer een self-fulfilling prophecy."
De sociaal-maatschappelijke context: stigma, uitsluiting en belonging
De tweede context is de bredere samenleving. Culturele normen, stigmatisering en uitsluiting beïnvloeden het desistance-proces minstens zo sterk als de institutionele omgeving. Stigmatisering van plegers vergroot aantoonbaar het risico op herhaling en verkleint de kansen op re-integratie. Dat is al lang bekend, maar die kennis leidt niet vanzelf tot minder stigmatisering.
Fischer gebruikt het concept belonging als sleutelbegrip: het gevoel erbij te horen in de samenleving is een cruciale voorwaarde voor duurzame gedragsverandering. Re-integratie is daarbij een twee-richtingsweg. "Mensen moeten veranderen. Maar als de samenleving om hen heen weigert te veranderen en niet bereid is mensen daadwerkelijke kansen te geven, dan stagneert die verandering." Dat geldt niet alleen voor plegers, maar ook voor slachtoffers die zich vaak onbegrepen of ongezien voelen.
Twee voorbeelden uit haar eigen onderzoek maken dit concreet. Haar onderzoek naar seksuele straatintimidatie laat zien dat het fenomeen een uiting is van een genormaliseerde ongelijke genderverhouding in de samenleving. Dit is zichtbaar in uiteenlopende contexten, van de werkvloer tot studentenverenigingen. Strafbaarstelling stelt een maatschappelijke norm, maar slachtoffers blijken meer geholpen bij bewustwording, een veilige inrichting van de openbare ruimte, en handelingsperspectieven voor omstanders dan bij strafrechtelijke aanpak van plegers alleen.
Een ander voorbeeld is de COSA-interventie, gericht op zedendelinquenten die aan het einde van hun straf zijn en verdere hulp willen om niet terug te vallen. Vrijwilligers helpen het sociale isolement te doorbreken en leren daarbij zelf hoe schaamte, uitsluiting en stigma mensen belemmeren afstand te doen van schadelijk gedrag.

Verbondenheid
Decaan Harriët Schelhaas, opende de oratie met een persoonlijke en warme introductiespeech. Ze schetste Fischer niet alleen als wetenschapper, maar ook als mens en collega. "Je hebt een gave om visie op onderwijs en onderzoek om te zetten in leiderschap," aldus Schelhaas. "En daarbij heb je een mooi Rotterdams karakter: helder, doortastend en schouders er onder, we doen het gewoon." Schelhaas typeerde Fischer als kritisch en constructief, altijd met kracht van argumenten en met oog voor het belang van zowel de criminologie als de faculteit als geheel.
Een nieuwe onderzoeksrichting
Met haar leerstoel wil Fischer de context expliciet centraal stellen in de evaluatie van interventies. Ze sluit daarbij aan bij de methode van realistisch evalueren en de realistische synthesebenadering: niet alleen meten óf iets werkt, maar begrijpen onder welke condities en via welke mechanismen. Narratieven van plegers, slachtoffers én professionals zijn daarvoor onmisbaar. "Die narratieven leren ons te begrijpen hoe pogingen om veiligheid voor slachtoffers te creëren en om desistance te ondersteunen, vaak vastlopen in de institutionele werkelijkheid en maatschappelijke dynamieken van uitsluiting en stigmatisering."
Haar bredere ambitie is een samenleving die de belemmerende werking van institutionele, politieke en culturele factoren op het desistance-proces beter herkent én aanpakt. Het is een boodschap met een lange Rotterdamse traditie, Fischer verbindt haar werk expliciet aan die van eerdere Erasmus School of Law-hoogleraren als Louk Hulsman, John Blad en René van Swaaningen. In haar dankwoord benadrukte Fischer dat je niet zonder steun hoogleraar wordt: ''it also takes a country to become a professor''.
- Professor
- Gerelateerde content
- Gerelateerde opleiding
