Op vrijdag 21 mei 2021 verdedigt G.F. Wesselhoefft zijn proefschrift, getiteld: ‘Project Finance Contracts; Strategic analyses for legal institutionalisation’.
- Promotor
- Promotor
- Datum
- vrijdag 21 mei 2021, 13:00 - 14:30
- Type
- Promotie
- Ruimte
- Professor Andries Querido zaal
- Gebouw
- Erasmus Building
- Locatie
- Campus Woudestein
Projectfinancieringscontracten (PFC’s) hebben betrekking op de realisatie van een zeer specifiek project door dit te plaatsen onder een specifieke rechtspersoonlijkheid bezittende special purpose vehicle (SPV) alvorens deze te financieren met een schuld zonder verhaalmogelijkheden (zonder onderpand). Deze SPV is eigendom van en staat onder volledige zeggenschap van sponsors, die de verschaffers zijn van alle essentiële (specifieke) materiële input voor het project. Bij afwezigheid van een onderpand of verhaalmogelijkheid op derden, is de haalbaarheid van financiering zonder verhaalmogelijkheden dus afhankelijk van de kwaliteit waarmee de geldverschaffer een reeks regelingen oplegt aan de sponsors, waardoor de onder volledige zeggenschap staande SPV in alle voorzienbare eventualiteiten alle financiële en materiële input ontvangt, vereist voor de realisatie van het vooraf gedefinieerde project en de schuld terugbetaalt.
Vervolgens is de verdeelbare bijdrage in PFC’s afhankelijk van de volledigheid en afdwingbaarheid, waarmee partijen alle aspecten van een uniek in tijd gelimiteerd project contractueel vastleggen. Dit staat in tegenstelling tot de bedrijfsdiversificatiedoelstellingen waarvoor wetgevers de regels ontwerpen voor bedrijfsvormen. In PFC’s redden partijen dus de functionaliteit van de rechtspersoon en de beperkte aansprakelijkheidsbescherming en wijzigen het merendeel van de resterende niet-nakomingsregels van toepassing op de SPV (het bedrijfstype daarvan). Als gevolg van de strategische spanningen karakteristiek voor PFC’s, passen de sponsors en de geldverschaffer zonder verhaalmogelijkheden dus bepalingen toe die we in alle PFC’s tegenkomen, maar niet in andere scenario’s. Omdat deze strategische spanningen vandaag de dag niet goed begrepen worden, slaagt ook de rechter er uiteindelijk niet in om deze noodzakelijke bepalingen toe te passen overeenkomstig hun gewenste functionaliteit. Dit alles leidt tot dramatische transactiekostengerelateerde onderinvestering en kostenoverschrijding – zowel een cliché in de financierings- als in de managementliteratuur.
Het onderzoek richt zich op drie doelstellingen in drie delen (10 hoofdstukken). Ten eerste, gebaseerd op observatie van praktijken en strategische overwegingen, onderscheidt het werk de elementen en kenmerken die nodig zijn in PFC’s. In PFC’s zijn er altijd sponsors, een of meerdere SPV’s, een uniek vooraf gedefinieerd project, een geldverschaffer zonder verhaalmogelijkheden (of een groep van hen die samenwerken) en een risicoverdelingsmechanisme. Bovendien hebben de sponsors in PFC’s altijd de zeggenschap over de SPV en zijn activa, zijn zij altijd de best-geïnformeerde partijen en reageren zij altijd op dezelfde reeks prikkels die we niet in andere omgevingen zien -bijv. bepalingen toegepast door de geldverschaffer, bepalingen alleen afdwingbaar door de sponsors en individuele toekenning van eigendomsrechten (verwachte dividenden van de SPV). Tot slot is de haalbaarheid van PFC’s altijd afhankelijk van contractuele interacties gedefinieerd door andere partijen dan de formele schuldenaar van de schuld zonder verhaalmogelijkheden (d.w.z. de onder volledige zeggenschap staande enkelvoudige aan het project dienstbare SPV). Bij afwezigheid van onderpand of verhaalmogelijkheid op derden, leiden de onvolkomenheden van de overeenkomsten altijd tot niet in de prijs doorberekende kosten voor de geldverschaffer zonder verhaalmogelijkheden.
Ten tweede stelt het onderzoek de strategische kenmerken vast inherent aan de positie van alle partijen in PFC’s. Er zijn noodzakelijke spanningen tussen de sponsors (individueel en gezamenlijk) en de geldverschaffer zonder verhaalmogelijkheden, en tussen de sponsors. De sponsors zien altijd kenmerkende prikkels voor het achterwege laten van sociaal waardevolle bijdragen (zich onttrekken aan), kiezen van technologieën die risicovoller zijn dan sociaal wenselijk is (riskeren) en innoveren voor kostenbesparing zonder internaliseren van gevolgen (schakeren). De sponsors reageren op deze prikkels individueel, in opportunistische subcoalities of na samenspanning tegen de geldverschaffer zonder verhaalmogelijkheden. Alle spanningen groeien met veel factoren, waarvan de verslechtering van verwachtingen van restvoordelen steeds domineert.
Tot slot stelt het onderzoek in het derde deel de plaatsen vast waar de huidige juridische behandeling (bijv. de reeks diversificatiegerichte niet-nakomingsregels voor bedrijfsvormen) noodzakelijkerwijs vervormd is. Als juridisch onderzoek voert het onderzoek dus drie groepen voorstellen voor juridische behandeling aan, ten eerste: vijf pilaren voor de wetgevende institutionalisering van PFC’s in een PFC-vorm, ten tweede: drie beginselen voor de realisatie achteraf van bepalingen en ten derde: vier vereisten die optimalisering in PFC’s kenmerken. Alle voorstellen –zowel de strategische analyse als de juridische voorstellen- bouwen op kenmerken inherent aan de positie van partijen in alle PFC's. Zij blijven dus krachtig van toepassing ongeacht projectconfiguraties, juridische uitvoering en wijziging van externe voorwaarden (ontwikkeling van prikkels en verwachtingen).
De promoties vinden, in verband met het coronavirus, niet op de gebruikelijke wijze publiekelijk plaats in de Senaatszaal of in de Professor Andries Queridozaal. De kandidaten zullen hun proefschrift in een klein gezelschap of online verdedigen.
