Hoe banken worstelen met duurzame materialiteit en impact

Nederlandse banken worstelen met het vaststellen van duurzame materialiteit en het maken van impact. Een belangrijke oorzaak is het ontbreken van context en een normatief kader, stelt Niels Smidt.

De discussie over de rol van banken in de samenleving is niet meer weg te denken. Hoe banken hun strategische focus moeten aanpassen om in de toekomst relevant te blijven is dé vraag van deze tijd. Daarbij is het algemeen geaccepteerd dat bedrijven en banken niet alleen marktspelers zijn, maar ook maatschappelijke verantwoordelijkheden dragen. Dit is inmiddels ook genormeerd in internationale standaarden zoals de UN Global Compact.

Zoals Phlippen in 2018 stelde, biedt de economische literatuur vier argumenten voor een duurzaamheidsagenda bezien vanuit het smalle eigenbelang van een bank: vraag naar duurzame bancaire producten, getalenteerde werknemers die voor een duurzame organisatie kiezen, het vermijden van risico’s van-niet duurzaam zijn, en tenslotte het profiteren van waarde-creatie bij de verduurzaming van de economie.

Maar hoe bepaalt een bank welke maatschappelijke thema’s – zogenaamde duurzame materiële onderwerpen, zoals bijvoorbeeld (financiële) inclusiviteit, duurzame groei voor ondernemers of ethiek,  relevant zijn voor haar? Zijn deze thema’s onderdeel van een separate duurzaamheidsstrategie of juist onderdeel uit van een integrale strategie? En hoe wordt de impact van de bank op deze thema’s gemeten en uiteindelijk gerapporteerd aan stakeholders?

Raamwerken zonder normen

Nederlandse banken maken, bij het proces van vaststellen van duurzame materiële onderwerpen, gebruik van raamwerken die helpen de materiële informatie over de strategie, besturing, prestatie en vooruitzichten van een bank inzichtelijk te maken, en de duurzaamheidsverslaggeving zo gestandaardiseerd en vergelijkbaar te maken als financiële verslaggeving. Voorbeelden van zulke raamwerken zijn het Global Reporting Initiative (GRI), het raamwerk van het International Integrated Reporting Council (IIRC) en de standaarden van het Sustainability Accounting Standards Board (SASB). Echter, ieder raamwerk heeft zijn eigen invalshoek. Bij de keuze uit verschillende raamwerken moet een bank zich dus bewust zijn van verschillen in perspectieven, doelen, doelgroepen en definities tussen raamwerken. Iedere keuze voor een raamwerk heeft consequenties voor het meten en rapporteren over materialiteit.

Hoewel ze helpen bij het vaststellen van duurzame materiële onderwerpen, ontbreekt het bij de raamwerken vaak aan context en (wetenschappelijke) normen. Het lijkt er daardoor op dat het proces aan subjectiviteit onderhevig is, wat tot gevolg heeft dat ook het proces van vaststellen van - en rapporteren over - impact als ingewikkeld wordt ervaren. Het vakgebied impact meten is nog volop in ontwikkeling en banken doen vooral zelfstandig onderzoek en ervaring op.

Impact meten is weten

Banken gebruiken verschillende indicatoren voor het maken en meten van impact. Een voorbeeld van indicatoren voor het maken van impact zijn de 6 kapitalen uit het IIRC Framework. Dit zijn financieel, productie, menselijk, intellectueel, sociaal en natuurlijk kapitaal. ABN AMRO heeft in haar impact rapport van 2019 voor het eerst haar positieve en negatieve impact inzichtelijk proberen te maken door de impact van deze 6 kapitalen te toetsen aan de operationele activiteiten van ABN AMRO zelf, haar klanten en de waarde keten.

De uitdaging bij het vaststellen van impact bestaat uit het feit dat er geen eenduidige lijn in het proces zit (‘niet lineair proces’). En dat impact KPI’s niet altijd aansluiten op materiële onderwerpen. Dit duidt op een probleem in het vertalen van uitkomsten in het identificatieproces van materiële onderwerpen naar het meten van impact resultaten. 

Mijn observatie is dat er nog onvoldoende rekening wordt gehouden wordt met ‘het waarom’. Het is onduidelijk wat impact doelen zijn waardoor het ook niet mogelijk is om impact resultaten te toetsen. Dit is van belang omdat het kiezen van de juiste methode voor het meten van impact pas kans van slagen heeft als duidelijk is wat het doel van de impactmeting is.

Banken hanteren verschillende definities bij het begrip impact: de ene bank rapporteert over output resultaten, de andere over outcome resultaten en de volgende over impact resultaten. Bovendien worden door banken verschillende modellen gebruikt om impact te meten. De complexiteit van het meten van impact wordt groter naarmate men verder in de waardeketen van de bank komt. Dit is het gevolg van een toenemend aantal afhankelijkheden en onzekerheden per additionele schakel in de waardeketen. Dit gegeven heeft op zijn beurt consequenties voor het niveau van controleerbaarheid van de gerealiseerde impact.

Naar een normatief kader

Nu is duurzame materialiteit vaak nog het resultaat van wat een bank belangrijk vindt en wat stakeholders belangrijk vinden. Het zegt weinig tot niets over referentiekaders of een normatief kader. Het creëren van een normatief kader, in aanvulling op of in de plaats van bestaande raamwerken zoals GRI, IIRC en SASB, zou helpen om de vergelijkbaarheid van materialiteit te vergroten.

Op micro-niveau kan een bank de stap zetten om meer informatie te delen over de wijze waarop zij stakeholders identificeert en betrekt. En hoe zij de belangen van stakeholders weegt bij de prioritering van materiële onderwerpen. Dit geeft meer context bij de beoordeling van de jaarrapportage in algemene zin, en bij de beoordeling van de materialiteitsmatrix in het bijzonder.

Ook op het vlak van impact meten kan een normatief kader helpen om eenduidiger en objectiever impact vast te stellen. Met zo’n kader kan de eigen impact afgezet worden tegen de impact van een referentie op bijvoorbeeld micro-, (een andere bank), meso-, (de Nederlandse bankensector) of macroniveau (het Nederlandse bedrijfsleven).

Door middel van zelfregulering, bijvoorbeeld via branche-organisaties als de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) of het Sustainable Finance Lab (SFL), kan hiertoe een volgende stap gezet worden. Ook kan gedacht worden aan de verdere uitbreiding van het wettelijk normatief kader en het uitbreiden van het wettelijk toezicht vanuit De Nederlandse Bank (DNB) of de Europese Centrale Bank (ECB). Door middel van deze parallelle aanpak van zelfregulering en ontwikkeling van wettelijke normen en toezicht, kan een elkaar versterkend effect worden gecreëerd.

Een belangrijke en relatief eenvoudige stap in het verder verbeteren van het proces van vaststellen van impact, is het toevoegen van impact doelen. Door in het proces te starten met het formuleren van impact doelen, wordt focus aangebracht. Dit helpt bij het inzichtelijk en meetbaar maken van gerealiseerde impact maar ook voor het maken van fundamentele keuzes bij in te zetten impact methodieken. Een nulmeting van gemaakte impact over een tijdvak, op basis van geformuleerde impact doelen, kan al een prachtig vertrekpunt zijn voor verdere beleidsvorming. 

Simpel maar onzeker

De opdracht voor banken is dus even simpel samen te vatten als dat het moeilijk is uit te voeren: worstel en kom boven. De hierboven geschetste wegen om dit te bereiken bieden potentieel, maar zijn niet vrij van valkuilen. Welke weg banken kiezen is nog niet zeker. Wat wel zeker is dat er nog veel ruimte tot verbetering is in het objectief vaststellen van duurzame materialiteit en impact

Niels Smidt is een ervaren Product Owner en duurzaamheid expert. Zijn belangrijkste aandachtsgebieden zijn beleidsvorming en implementatie van duurzaamheid binnen de financiële sector. Op dit moment werkt Niels binnen Rabobank aan het toetsen van het product portfolio aan de coöperatieve principes van de Rabobank. Als onderdeel van het Executive Program CSR schreef Niels een paper over de duurzame materialiteit en impact in de Nederlandse bankensector. De paper is hier te lezen. Voor meer informatie over en aanmelden voor het Executive Program CSR zie hier