Onderzoeken beginnen vaak met een standaardvraag: bent u man, vrouw of anders? Volgens Tonny Krijnen, Universitair Hoofddocent en mediawetenschapper aan Erasmus School of History, Culture and Communication, is dat een veelvoorkomende valkuil. Ze schreef samen met Sofie van Bauwel (Universiteit van Gent) het boek “Researching Gender and Media - Tools, Guidelines, and Ethical Reflections” dat studenten en beginnende onderzoekers helpt om gender serieus mee te nemen in elke stap van hun onderzoek, van de eerste vraagstelling tot de laatste analyse.
Een zusje van een theoretisch boek
Het nieuwe boek is, zoals Krijnen het zelf noemt, een zusje van een eerder werk: Gender and Media, een theoretische inleiding op de samenhang tussen gender en de productie, inhoud en consumptie van media. Van dat boek verschijnt volgend jaar alweer de derde editie.
De aanleiding voor het nieuwe boek lag in de begeleidingspraktijk. “We begeleiden veel studenten en jonge collega’s op dit gebied, en we merkten dat we hen telkens opnieuw hetzelfde moesten vertellen”, vertelt Krijnen. “Een onderzoeksmethode kan prima zijn, maar als je gender erin meeneemt, moet je met allerlei dingen rekening houden. Toen dachten we: laten we dat eens opschrijven.”
Het boek is daarom nadrukkelijk geen methodeboek in de klassieke zin, benadrukt ze. Het is een toolbox voor hoe gender van belang is wanneer je een bepaalde methode gebruikt en hoe studenten daar in hun onderzoek mee om kunnen gaan.
Meer dan een vinkje bij “geslacht”
Waarom is dat nodig? Krijnen geeft het voorbeeld van een standaard enquête. “Vaak staat er ‘geslacht’, en dan kun je aankruisen of je man of vrouw bent, tegenwoordig soms ook ‘anders’. Maar als het onderzoek gaat over gender, ontstaat er al begripsverwarring. Je geslacht is immers iets anders dan je gender.”
Gender is bovendien een fluïde begrip, zeker voor de huidige generatie. “Man, vrouw, anders is eigenlijk gewoon een slechte manier om dat te bevragen. Er zijn echt instrumenten ontwikkeld om dat beter te doen, en studenten moeten wegwijs gemaakt worden in die instrumenten.”
Er bestaan volgens Krijnen veel goede boeken over hoe je een survey opzet, maar geen daarvan gaat in op de vraag hoe je zoiets lastigs als gender meet. De betekenis van gender hangt namelijk samen met etnische achtergrond, klasse, opleidingsniveau en seksuele oriëntatie. “Hoe je dat precies doet, staat in geen van die boeken.” En dan is er nog de ethische kant: wie mensen bevraagt op hun seksuele oriëntatie, stelt een vraag die niet voor iedereen even prettig is om te beantwoorden. Ook daar gaat het boek op in.
Een toolbox met tips en bronnen
Het boek is ingedeeld naar de drie onderzoeksvelden die ook in Gender and Media centraal staan: productie, inhoud en consumptie van media. Voor elke methode bespreken de auteurs kort een beroemde voorbeeldstudie. “Het is goed om te weten waar iets vandaan komt”, zegt Krijnen. Daarna lopen ze de student langs de stappen van de methode en reflecteren ze bij elke stap op de pijnpunten én op de kansen om het goed te doen.
De auteurs beschrijven vooral bestaande, veelgebruikte methoden. Wie echt met een methode aan de slag wil, wordt doorverwezen naar goede bronnen. Daarnaast bevat het boek praktische tips, bijvoorbeeld op de vraag die studenten altijd stellen: wanneer heb ik genoeg literatuur? “Daar zijn geen vaste lijnen voor, en dat leggen we ook uit.” De oefeningen komen uit de eigen onderwijspraktijk van beide auteurs. “Als je studenten tijdens een werkgroep een half uur met zo’n opdracht laat spelen, leren ze iets wat je op een andere manier heel moeilijk duidelijk kunt maken.”
AI: een handig opstapje, geen vervanging
Ook artificiële intelligentie (AI) krijgt een plek in het boek. In het inleidende hoofdstuk leggen de auteurs uit dat onderzoek altijd dezelfde soorten stappen doorloopt, kwantitatief of kwalitatief. AI kan daarbij een handig hulpmiddel zijn, maar kent ook veel beperkingen. Krijnen wijst erop dat studenten en onderzoekers moeten nagaan welke richtlijnen en afspraken hun eigen instituut hanteert.
Om te laten zien wat AI wel en niet kan, vroeg ze een chatbot om uit te leggen waar de televisieserie Killing Eve over gaat. In het boek geeft Krijnen bij elk hoofdstuk het voorbeeld van een televisieserie, in het hoofdstuk over AI is dat deze serie. “Als een bachelorstudent dit zou inleveren, zou ik denken: best goed gedaan. Maar als je beter kijkt, mist er op meerdere plekken echt iets.” Haar conclusie: een handig opstapje, maar je moet er kritisch op zijn. En fraude is “een soort academische doodzonde”, geeft ze mee in het boek.
Je eigen drijfveer onder de loep
Een terugkerend thema in het boek is de rol van de onderzoeker zelf. Krijnen ziet het vaak gebeuren: studenten kiezen een onderwerp omdat ze er zelf ingewikkelde gevoelens bij hebben. Dat mag, maar het kan het onderzoek vertroebelen. “Soms vindt een student iets interessant, maar heeft dan niet goed nagedacht over waaróm het diegene interesseert. Dan heb je een persoonlijk doel.”
Het risico? “Dat je vindt wat je zocht.” Een persoonlijke drijfveer is volgens Krijnen prima, maar vraagt wel om een stevig onderzoeksdesign. “Daar gaan we steeds naar terug.” Persoonlijke overwegingen kunnen ook je oordeel kleuren. Je leest een artikel en vindt het ‘stom’. “Dat mag, maar dan moet je voor jezelf nagaan: waarom? Heeft dat met mijn waarden te maken, of zit er echt een fout in?” Niemand is daar immuun voor, zegt ze: “We hebben allemaal deze eigenschap.”
Of je nu zelf transgender bent of juist moeite hebt met bepaalde groepen: kwalitatief onderzoek gaat ervan uit dat jouw positie altijd meekleurt. Er zijn volgens Krijnen dan ook diverse zelfreflectiemethoden ontwikkeld, zodat je geen autobiografie schrijft in plaats van onderzoek. Toch blijft het een beperking: soms zie je solide informatie simpelweg niet. “Dat is jammer natuurlijk.”

Activisme in het vakgebied
Hoewel het mediavakgebied veel activistische wetenschappers kent, gaat het boek niet diep in op activisme in onderzoek. Maar het komt wel aan bod, zegt Krijnen en wijst op de golfbeweging die #MeToo ook in het onderzoek op gang bracht, inclusief extra financiering. Op dit moment is femicide een belangrijk onderwerp binnen onderzoek dat vaak gefinancierd wordt, aldus Krijnen, met grote Europese projecten die onder meer onderzoeken hoe dit soort geweld in de berichtgeving makkelijk onder het tapijt verdwijnt. Zij vindt dat het niet te gemakkelijk moet worden benoemd als geweld in de huiselijke sfeer: het gaat immers om mannen die vrouwen vermoorden.
Veel van dat activistische onderzoek is kwalitatief en richt zich op de vraag hoe politiek vorm krijgt in media-inhoud, met name in populaire media. “Mensen besteden nog steeds het overgrote deel van hun mediadieet aan televisie, ook al hebben ze geen televisie meer.”
Van televisie naar sociale media
Krijnen en haar coauteur komen allebei uit de televisie- en filmstudies, en dat merk je aan de voorbeelden. Toch is er een hoofdstuk waarin sociale media en de consumptie daarvan als rode draad fungeren.
Sociale media zijn lastig te duiden, erkent ze: het is veel content en het is allemaal verschillend. Maar bepaalde beelden worden er erg versterkt. Als voorbeeld noemt ze de ‘I’m just a girl’-beweging: “heel schoon, gezellige, schattige foto’s van een ontbijtje, maar ook heel wit en heel hetero”. Er zijn tegenbewegingen, bijvoorbeeld op TikTok, die zich daartegen afzetten en op elkaar reageren, maar die uiteindelijk vaak hetzelfde doen. En wie zegt ‘I’m just a girl’, schetst al snel het beeld van een wit, jong meisje. “Dat sluit een heel groot deel van de meiden uit.” Het gaat dan om de vraag: wat wordt er uitgesloten, en wie bepaalt de norm? Dat helder in kaart brengen vergt goede onderzoeksvaardigheden.
Het verschil met televisie? “Televisie heeft een langer narratief, er is ruimte om dingen uit te werken en van context te voorzien. Op sociale media is het altijd kort, en je raakt snel in een bubbel.” Voor feitelijke en informatieve media is dat een groot probleem, omdat het moeilijk is om waarvan nietwaar te onderscheiden. Maar bij beeldvorming over gender ziet Krijnen op sociale media niet zulke andere dingen dan elders. “Het herhaalt zich, en misschien wordt het nog eenzijdiger.” Er is een duidelijk beeld van wat mooi is en hoe je een ‘leuk meisje’ of een ‘leuk jongetje’ bent, en daar gaat weinig tegenin. “Er zullen vast hoekjes zijn, maar die moet je dan zoeken.”
Een AI-actrice als casus
Voor de derde editie van Gender and Media onderzocht Krijnen Tilly Norwood, een AI-actrice met een eigen Instagramaccount. De reacties onder een enkele post vond ze fascinerend. Het uiterlijk van Norwood past in een internationaal ‘standaardplaatje’: licht getint, bruin haar, bruine ogen, een soort gemiddelde van de wereld, maar wel “net iets te slank, met net iets te veel borsten en billen”. Daaronder zit volgens Krijnen een standaard ideaalbeeld.
Tegelijk is de inhoud satirisch. De AI-actrice maakte een liedje dat een compilatie is van bestaande videoclips, met verwijzingen naar onder anderen Miley Cyrus en Britney Spears, en een ironische tekst. “Ik vond het supergrappig”, zegt Krijnen. Anderen vonden het verschrikkelijk en zagen de hele televisie-industrie in gevaar. Weer anderen zagen juist een voordeel: niemand kan aan een AI-actrice zitten, een verwijzing naar de #MeToo-zaken. “Dat zijn allemaal interessante argumenten, maar het is een heel ander verhaal dan een eenduidig verhaal als je lekker een avondje Netflix kijkt.” Dat de content professioneler oogt dan wat gebruikers zelf maken, is haar wel opgevallen, al weet ze niet wat mensen thuis allemaal kunnen.
Scrapen: mag dat eigenlijk wel?
Big data en grote taalmodellen als analysemethode komen nauwelijks aan bod. De auteurs hebben daar zelf te weinig ervaring mee, zegt Krijnen. Wel worden digitale methoden hier en daar aangestipt, zoals topic modeling, “een gave manier om je data te organiseren, maar dan moet je weten hoe het moet”. Voor wie dieper wil duiken verwijst het boek naar goede literatuur.
Krijnen beschrijft wel de ethische kant van bijvoorbeeld ‘data scraping’. “Wat doe je eigenlijk als je zomaar iemands Instagram leegplukt? Mag dat? Betekent het dat als iets beschikbaar is, dat je het ook mag pakken? Er zit een hele dunne lijn tussen wat ethisch verantwoord is en wat niet.” Haar voorbeeld: kwalitatieve analysesoftware als ATLAS.ti heeft een AI-plug-in die thema’s kan helpen te ordenen. “Maar je hebt vertrouwelijke interviews gehouden, vaak over gevoelige onderwerpen, bijvoorbeeld over iemands seksualiteit. Vindt die persoon het dan leuk dat jij het interview aan een AI-plug-in hebt gegeven en het zo onderdeel is geworden van een heel groot geheel?”
Wat studenten moeten meenemen
Wat hoopt Krijnen dat studenten overhouden aan het boek? “Dat ze snappen dat onderzoek altijd een aantal stappen bevat, wat voor onderzoek je ook doet, en dat je al die stappen ook echt moet doen. En dat gender niet zo eenvoudig is, en dat dat in elke stap van het onderzoek iets oplevert om over na te denken.”
Krijnen is duidelijk trots op het resultaat. “Wij zijn hier trots op, het is best wel goed geworden,” sluit Krijnen bescheiden af.
- Onderzoeker
- Meer informatie
Je vindt het boek op Routledge.
Heb je persgerelateerde vragen? Contact onze persvoorlichter Marit Haven: 06 24 57 89 59
Voor meer informatie, e-mail ons via communicatie@eshcc.eur.nl
