Gijs van Oenen was tot zijn pensioen in februari dit jaar universitair hoofddocent aan de Erasmus School of Philosophy, waar hij zich bezighield met politieke en sociale filosofie. Zijn werk zoekt vaak bewust de grenzen van het academische op: columns, toneelstukken, essays in kunsttijdschriften en boeken die de dialectiek met de samenleving aangaan. In dit gesprek blikt hij terug op zijn carrière, de intellectuele verschuivingen sinds de jaren zeventig, de opkomst van identiteitspolitiek, de druk van vrijheid en de rol van filosofie in een tijd zonder duidelijke historische richting.
Wat is filosofie voor u en is dat veranderd tijdens uw carrière?
“Ja, dat is zeker veranderd, in de zin dat ik helemaal geen filosoof was. Ik ben er ingerold. Ik studeerde politicologie aan de UvA, in de tijd dat het nog een veredelde marxisme-opleiding was. Of verarmd, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Bijna iedereen daar was communist. Ik niet, dus ik was een beetje een buitenstaander. Door toeval kreeg ik een promotieplek bij rechtsfilosofie aan de rechtsfaculteit, wat letterlijk vijftig meter verderop is, maar qua cultuur een compleet andere planeet. Via een vacature belandde ik vervolgens in Rotterdam op de Erasmus School of Philosophy. Ik had geen idee waar ik terecht zou komen, maar uiteindelijk bleek het een gelukkige gok: toen heb ik pas echt ontdekt wat filosofie allemaal kan zijn. Want filosofie is niks. Filosofie is wat je ervan maakt.”
En? Wat maakt u ervan?
“Voor mij is het eigenlijk altijd geweest, zij het in het begin iets meer, dat je op straat kijkt wat je daar tegenkomt aan opvallende fenomenen. En dat je dan nadenkt over hoe dat kan, waarom dat zo is en of het ook anders kan.
Mijn eigenlijke entree in de filosofie was het gedoogbeleid. In 1994 had je in Rotterdam Perron 0, een plek bij het Centraal Station, opgericht door dominee Hans Visser, waar daklozen en verslaafden terecht konden voor gratis injectienaalden en basisopvang. De gedachte erachter fascineerde me mateloos: waarom het goed kan zijn om tegen het rationele inzicht van de wet in te handelen. Dus dat je als gezag, dus burgemeester of politie, inziet dat wanneer je de oplossing van een probleem overlaat aan mensen in het veld, aan daklozen zelf, aan dominees, welzijnswerkers, wijkagenten, dat de uitkomst dan eigenlijk beter is, ook al handelen ze strikt genomen tegen de wet. Je kunt er geen spotlight op zetten, want dan vernietig je het. Het moet zich een beetje in het duister afspelen.
Op die manier over de samenleving nadenken was voor mij nieuw, maar zorgde er natuurlijk ook voor dat ik een beetje een rebel binnen de rebellenbeweging werd. Voor mijn radicale medestudenten bij politicologie was protesteren goed en gezag per definitie slecht, terwijl ik probeerde van beide kanten te zien waarom ze doen wat ze doen. En dat is eigenlijk altijd zo gebleven.”
Zo stelt u in uw werk dat de emancipatie van de jaren zeventig ook haar tegendeel heeft opgeleverd.
“Sinds de jaren zeventig worden mensen niet meer geboren in een rol. Ze worden niet meer wat hun ouders waren. Mijn moeder kreeg lang te horen: als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje. En dan ineens, vanaf de jaren zestig en zeventig, is het allemaal aan jou. Dat is fantastisch. Maar het is ook venijnig. Als je de vrijheid hebt gekregen om alles te worden wat je wilt en je faalt, dan ligt het aan jou. Daar gaat een groot deel van mijn latere werk over.
Het positieve eraan is dat je kunt zien: het ligt niet aan mezelf in de zin van persoonlijk falen. En het ligt ook niet aan donkere krachten die mij tegenwerken, tot aan het kapitalisme aan toe. Nee, het is iets wat we over onszelf hebben afgeroepen. En dat is jammer, maar het betekent ook dat er geen vijand is. Het is echt óns probleem.
Ik ken veel mensen in de politieke filosofie die zeggen: het ligt aan het neoliberalisme, aan het kapitalisme. Oké, ik zou die ook graag afgeschaft zien. Maar dan los je de problemen niet op. Sterker nog, die worden erger, want dan vallen die excuses weg.
Dat de huidige malaise een product van de emancipatie zelf is, vind ik bevrijdend. Filosofie wordt dan een spiegel. Politieke partijen kunnen dit weliswaar niet in een programma zetten, maar je kunt mensen wel helpen om in te zien waarom ze gebukt gaan onder bepaalde ambities of frustraties.”
Is het een taak van de filosofie om mensen een spiegel voor te houden?
“Zeker. En dat deelt het met de psychoanalyse. Daarom ben ik een tijdlang fan geweest van Slavoj Žižek. Vooral omdat hij precies dit doet, met name in de Q&A’s na een lezing. Ik heb nooit iemand gezien die zo perfect de ziel van de vraagsteller kan aanvoelen. Ieder antwoord dat hij geeft is een creatieve, op dat moment bedachte spiegel. Zo van: dit ben jij en dit is de reden waarom je dit aan mij vraagt. Die man heeft een soort vrouwelijke intuïtie voor wat mensen dwarszit, voor wat ze echt bedoelen. Sommige mensen zullen zeggen dat het een act is. Ik denk dat dat zijn spiegel voor jou is: dat jij denkt dat het een act is. Misschien het beste antwoord dat ik kan geven op wat filosofie voor mij is: een antwoord op de illusies van dat soort mensen.”
Hoe is de (politieke) filosofie veranderd sinds de jaren zestig en zeventig?
“Die periode heeft heel veel losgemaakt. De poststructuralistische filosofie — Derrida en zijn vrienden — heeft een bevrijdende werking gehad, zoals we die breder zagen in de vrouwenbeweging en andere emancipatiebewegingen. Het heeft iets ontregeld. Maar het heeft ook zijn tegendeel teweeggebracht. Formalisering, canonisering, verstijfde reacties. Je kunt bepaalde termen bijvoorbeeld niet meer gebruiken. Er is angst voor van alles en nog wat. Dat is heel paradoxaal en dat zie je ook in de filosofie. Iedere bevrijding creëert zijn eigen tegenkracht.”
Zijn linkse filosofen op die manier medeschuldig aan de huidige verrechtsing?
“Dat is een confronterende vraag. Maar ik denk inderdaad dat een hele generatie blind is geweest. Ze waren ervan overtuigd dat hun receptuur alleen tot linkse uitkomsten kon leiden. Ronald Dworkin geloofde bijvoorbeeld dat constitutionele toetsing, zoals door het Supreme Court, in essentie links-liberaal was. Rawls deed hetzelfde voor de moraal. Krankzinnige gedachte, maar heel typerend voor die tijd.
En nu zie je dat diezelfde filosofie bij uitstek door rechts wordt omarmd. Trump-aanhangers doen ook aan identiteitspolitiek. Precies hetzelfde mechanisme, andere inhoud. Links heeft verzuimd, of het is gewoon niet gelukt, om haar eigen concepten in de praktijk te brengen. Nu kijkt ze toe hoe rechts dat doet.
Door het succes van de emancipatie erkennen we nu nauwelijks nog ander gezag. We zijn zelf het gezag geworden. Maar omdat dit eigenlijk een ondraaglijke gedachte is, die ook in de praktijk zwaar op ons drukt, gaan we op zoek naar nieuw gezag. Ik zie dat zelfs op de universiteit. Studenten die eisen stellen aan het college van bestuur over Gaza. Waarom een college van bestuur? Dat is de meest machteloze groep binnen een universiteit, en hoort dat ook te zijn. Maar ze verwachten er enorm veel van. Het is bijna een soort ouder-kindrelatie.”
Filosofie is voor u altijd dialectisch vervlochten met de samenleving. Niet alle filosofen vinden dat nodig.
“Zeker niet. De grote meerderheid heeft er geen enkele interesse in, vindt het zelfs slecht. Als ik het doe, vinden ze het soms goed, maar ze moeten zich wel over een heleboel dingen heen zetten. Ze vinden het eigenlijk een compromis, een bezoedeling. Terwijl ik denk: als je filosofische gedachten nergens kunnen landen, als je niet bereid bent te zeggen oké, ik accepteer dat als een uitkomst of weerlegging van wat ik zeg, dan ben je wat Hegel noemt een schöne Seele. Je vindt de werkelijkheid een bevlekking van je mooie gedachten. Nou, dat haat ik.
Ik voel een verplichting, maar ook een behoefte, om de samenleving iets te melden. Politici, bestuurders, de WRR, die zitten ook verlegen om kennis en inzicht. Bijna iedereen in die wereld is blij als je langskomt om hen een beetje te helpen. Het is eigenlijk een soort therapie. Niet dat ze opeens al hun praktische problemen oplossen, maar het gaat om die verrassing, die opening. Dat mensen voor het eerst werkelijk ergens over nadenken. Of denken: oh ja, verrek!”
Heeft u in uw carrière de erkenning gekregen die u wilde?
“Dat is een heel universele, echt Hegeliaanse vraag: bij wie zoek je erkenning? En wanneer is dat genoeg? Ik heb me daar mijn leven lang dingen bij afgevraagd. Het feit dat ik het belangrijk vind, zegt wel iets.
Laat ik het zo zeggen, ik ben tevreden met wat er van mij geworden is. Ik ben ervan overtuigd dat dit een zinvolle missie is. Dat is een van de weinige dingen in mijn bestaan waar ik werkelijk arrogant in ben: wat ik doe, daarin ben ik beter dan andere mensen. En ik denk bovendien dat de politieke en sociale condities nu zo zijn dat mijn soort filosofie betekenis en zin heeft.
Ik zou ook niet zo gauw weten hoe ik anders had kunnen opereren. Ik denk dat ik daar te ironisch voor ben. Te weinig radicaal. Het is veel makkelijker als je radicaal bent, dan snappen mensen het sneller. Dan abstraheer je van de rest en is het gewoon één ding. Het lijkt dan geweldig. Alleen, dat is zo omdat je al het andere buiten beschouwing laat.
Tegelijkertijd zit er wel iets in mij wat altijd erkenning zoekt. Maar ik weet ook dat ik nooit vrij van twijfels zal zijn. Er komen altijd andere twijfels voor in de plaats, want ik wil eigenlijk de beste zijn in wat ik doe. En waar meet ik dat dan aan af?”
Nou, in uw afscheidsrede zei u: ‘Als je op zoek bent naar een criterium voor slagen of succes, is dat toch zeker ook: of een project weerklank vindt bij anderen. Dat die daar iets aan ondervinden, een inzicht in kunnen ontdekken, er voor hun eigen werk of denken inspiratie aan ontlenen.’
“Ja, dat klopt! Maar je weet natuurlijk niet wat het voor andere mensen betekent. Je kunt ineens door toeval iemand tegenkomen die zegt: hé, dat boek van jou is voor mij belangrijk geweest. Een mooi voorbeeld daarvan: bij een receptie in Leusden vertelde een staflid van de WRR me dat hij mijn laatste boek nog niet gelezen had, omdat hij ‘Culturele veldslagen’ voor de tweede keer aan het lezen was. Dat zie ik als succes. Dat iemand de wens heeft om iets wat ik geschreven heb voor de tweede keer te lezen.”
U schrijft ook columns over kunst en heeft zelfs een toneelstuk op uw naam staan. Niet bepaald reguliere uitdrukkingsvormen in uw vakgebied.
“De academische wereld heeft mij nooit volledig bevredigd. Ik wil ook dingen doen die daar helemaal niet in passen. Op een andere manier schrijven, bijvoorbeeld. Op de universiteit mag je eigenlijk maar twee dingen doen: een artikel van 8.000 woorden, het liefste in het Engels, of eventueel een boek. Gemiddeld worden die artikelen door zeven mensen gelezen. Ter wereld. De meeste worden helemaal niet gelezen. Dat is absurd!
Ik heb veel columns geschreven voor het universiteitsblad in Rotterdam. Dat vond ik ontzettend leuk. In de beperking van 400 woorden toont zich de meester. Ik heb stukken voor De Witte Raaf geschreven, een Belgisch kunstblad. Maar die variëteit aan mogelijkheden interesseert niemand op een universiteit.
Maar ik wil er ook niet negatief over zijn. De universiteit kan niet alleen maar zijn wat ik wil dat die is. Net zomin als een krant alleen maar kan zijn wat ik wil, want dan worden er maar zes exemplaren van verkocht. Soms word ik wel eens dwarsligger genoemd. Of: hij wil weer niet meedoen. En aan de andere kant vinden ze dat op zichzelf ook weer een waarde hebben.”
Die ‘verengelsing’ van de universiteit die u noemt, is die problematisch?
“De diversiteit in de staf en onder studenten is enorm gegroeid. Dat is een gouden greep geweest, zeker in Rotterdam. Het nadeel is dat iedereen nu alleen nog maar Engels als referentiekader heeft. Duits, Frans, dat zegt mensen niks meer. Er is geen meerwaarde meer om in de originele taal te lezen, want als je daarnaar verwijst, snappen mensen het niet. Dat is een soort kruipende invloed die alles overneemt. Alsof je eten maakt en er een fles Maggi overheen gooit. Alles smaakt hetzelfde. Maar tegelijkertijd is er door de internationalisering en de dubbele opleidingen in Rotterdam wel een veel levendiger filosofiecultuur ontstaan. Het is een kruisbestuiving die het vak heeft gered. Daarvoor was het een heel doodse toestand.
Veel erger vindt ik de ‘professionalisering’. Dat woord staat bovenaan de lijst die ik opstelde voor dit interview. Het staat haaks op het avontuur dat het zou moeten zijn en is echt beperkend voor de filosofie zelf. Het levert weliswaar hoge kwaliteit op; als je bijvoorbeeld kijkt naar de huidige NWO-voorstellen, die zijn verbijsterend goed. Maar je verliest er ook veel mee. Een soort vernauwing van de blik door protocollisering. Het idee dat je als onderzoeker van tevoren moet opschrijven wat er uit je onderzoek gaat komen. Dat een hoogleraarschap afhangt van of je grote subsidies binnenhaalt. Dat is natuurlijk bizar.”
Durchdialektisieren of achter de geraniums?
“Durchdialektisieren, dat is onvermijdelijk. Ik ben bezig met een boek over wat je nu wel of niet van politiek kunt verwachten, en waarin dat verschilt van wat je van een samenleving kunt verwachten. Want heel veel mensen denken: alleen als iets politiek is, of wordt, gebeurt er van alles. Dat is ook zo, maar het is toch geen goed idee om alles te politiseren.
En dan is er iets wat ik al heel lang bewaar: een idee waarbij muziek en filosofie bij elkaar komen. Een voorlopige uitwerking daarvan is een toneelstuk over de relatie tussen Adorno en Alban Berg. En niet alleen hun relatie zelf, maar hoe die doorwerkt in hun filosofische of muzikale werk, en andersom. Het ligt wel voor de hand dat dat niet een traditioneel boek moet worden. Misschien wordt het wel een podcast! Voor mij zijn vorm en inhoud altijd twee kanten van hetzelfde. Dat is misschien wel de ultieme fascinatie in wat ik schrijf of doe. Als een muziekinstrument, dat de vorm heeft die nodig is voor die specifieke klank. Maar dat is net te functioneel. Het moet iets meer toevallig zijn, iets minder... perfect.”
