Gijs van Oenen in de Trouw: Geen wonder dat burgers boos zijn op de staat, als ze die als leverancier van diensten zien

Van de staat hebben burgers hooggespannen verwachtingen en tegelijk maken ze de staat grote verwijten. De overheid doet het beter dan de boze burgers denken, schrijft politiek filosoof Gijs van Oenen.

Het geduld met de staat raakt op. De overheid, hoor je van links tot rechts, schiet tekort. ­Urgente problemen stapelen zich op – klimaat, energie, asielzoekers, woningnood, covid, ­inflatie – maar politieke daadkracht blijft uit. Politici luisteren niet, lossen problemen niet op en zijn vooral met zichzelf bezig. En op openlijke kastijding, zoals met het Urgenda-arrest of met de boerenprotesten, lijkt zij nog slechts lethargisch te reageren. Vadertje Staat wordt Opaatje Staat: houterig en verstijfd, hardhorend, niet meer van deze tijd.

Is deze onvrede gelegitimeerd?

Is de staat inderdaad zo’n wanpresteerder geworden? Zijn de vele verwijten aan zijn adres terecht? Het korte antwoord is: nee. In ieder geval veel minder dan wordt gesuggereerd. Daarvoor is een aantal redenen.

Meest gehoord in de litanie aan verwijten zijn de toeslagenaffaire en de Groningse aardgasaffaire. Die twee noemen burgers steeds in één adem als symbool voor het falen van de politiek, aldus het meest recente Burgerperspectievenonderzoek van het SCP.

In beide kwesties is onmiskenbaar veel fout gegaan en zijn burgers ernstig benadeeld. Maar mede aan de basis van het toeslagendebacle lag de wens van de Kamer, democratisch gekozen door de bevolking, om strenger op te treden tegen fraude. Bij de aardgaskwestie speelt de lastige afweging tussen de psychische en materiële schade voor individuele burgers en het garanderen van voldoende en betaalbare energie voor iedereen, een eerste levensbehoef­te.

Onzekerheid

Veel politieke beslissingen vergen zulke ingewikkelde en niet altijd doorzichtig te maken afwegingen. Beslissen voor de een gaat ten koste van de ander, zie het stikstofdossier waarin natuur, boeren en woningbouw de pijn moeten verdelen. Regeren is vooruitzien, maar politiek heeft te maken met onzekerheid en verrassingen.

Denk maar aan covid en de oorlog in Oekraïne. Bij covid moesten op basis van heel beperkte kennis heel ingrijpende maatregelen worden genomen. Maatregelen die bovendien zijn gericht op de volksgezondheid, een collectieve notie waar de individualistische burger van nu niet altijd een boodschap aan heeft.

Verder stellen we hoge eisen aan de staat, maar minder aan onszelf. De coronatijd leek een moment om te wennen aan minder vliegen, vervuilen en feesten, maar zoals we weten staat Schiphol weer (over)vol, net als de wegen, de binnensteden en de festivals. Als het bij Ter Apel misgaat, krijgt de overheid ervan langs: onbegrijpelijk hoe laat en laks daar is opgetreden. Maar als zij wel voortvarend optreedt en een hotel in Albergen koopt voor de opvang, is het ook niet goed en had zij (langdurige) juridische en democratische procedures moeten volgen.

Leverancier

Op de achtergrond speelt een bredere verandering in de houding ten ­opzichte van de overheid. Die is nauwelijks nog een autoriteit; wij ervaren haar niet meer als ‘boven ons gesteld’. In de neoliberale tijdgeest is de overheid niet veel meer dan een leverancier van diensten. En inderdaad gaat het vooral bij de uitvoeringsorganisaties vaak mis. Daar is de burger vooral klant, en in die re­latie schiet de overheid al gauw tekort.

Zeker in vergelijking met hoe wij tegenwoordig zijn gewend om, via Gorillas of DHL, door de markt te worden bediend. ‘Falende overheid kan leren van festivals’, kraait bijvoorbeeld columnist Robert van Gijssel in de Volkskrant van 2 september. In deze optiek moet de staat leveren wat de markt niet kan of wil leveren, een voorstelling van zaken waarbij de staat altijd aan het kortste eind trekt.

Maar tegelijk en enigszins paradoxaal bestaat er een vrijwel onverwoestbaar vertrouwen dat de staat voor alles wat belangrijk is in de bres kan en moet springen: ze moet de energievoorziening garanderen, ze moet de inflatie bestrijden, asiel­zoekers opvangen, het coronavirus onschadelijk maken, de stad leefbaar houden, het recht handhaven, overstromingen voorkomen en onze koopkrachtdaling compenseren. De perceptie dat de staat veel en vaak tekortschiet, is de keerzijde van de torenhoge verwachting dat zij overal en altijd succesvol kan ingrijpen – de ideologische erfenis van de maakbare samenleving.

Stilzwijgend socialisme

Je zou dit een soort stilzwijgend socialisme kunnen noemen: de staat moet alle crises en problemen snel en effectief oplossen, maar zich verder nergens mee bemoeien. Het zou evengoed een model voor populisme kunnen worden, waarin een autoritaire leider de hooggespannen verwachting belooft waar te maken. En je zou het zelfs neoliberalisme kunnen noemen, waarin het marktdenken kan triomferen, omdat de staat al het vuile werk mag opknappen en alle verwijten moet incasseren.

Hoe je het ook noemt, het is een denken waarin weinig reëel over de staat wordt gedacht. Ja, er zijn veel problemen, en de overheid maakt fouten. En iedere democratie heeft kritische geluiden jegens de overheid nodig. Maar de staat kan minder goed doen dan men van haar verlangt, en doet minder fout dan men haar aanwrijft. Boos zijn op de staat voelt misschien goed, maar helpt niet veel.

Meer informatie

Dit artikel verscheen op 7 september in de Trouw

Gerelateerde content

Helemaal klaar met corona – én met de overheid

De opvatting van de overheid is definitief ‘ook maar een mening’ geworden. Filosoof Gijs van Oenen ziet in NRC daarin de opkomst van een nieuw fenomeen,…

Vergelijk @count opleiding

  • @title

    • Tijdsduur: @duration
Vergelijk opleidingen