Meer regels maken de sport niet vanzelf veiliger

Interview met Aldo Houterman
Campus woudestein in de zomer

Het recent verschenen rapport Vlammende Ambitie houdt de Nederlandse topsport een spiegel voor die even helder als pijnlijk is. De conclusies liegen er niet om: in de jacht op goud is de menselijke maat zoekgeraakt. Een kwart van de topsporters ervaart geweld of intimidatie, en de focus op medailles verdringt de aandacht voor welzijn en veiligheid. De reactie vanuit de politiek en sportbonden laat zich raden: de roep om strengere handhaving, nieuwe gedragscodes en betere meldstructuren klinkt luider dan ooit. Maar is méér regelgeving wel het antwoord op een cultuurprobleem dat in de haarvaten van de sport zit? Volgens filosoof Aldo Houterman, die op 30 januari promoveert aan de Erasmus Universiteit, moeten we oppassen voor schijnzekerheid. In zijn proefschrift betoogt hij dat we de sport niet veiliger maken door deze van bovenaf dicht te timmeren, maar door fundamenteel anders te leren kijken naar het lichaam, de techniek en de manier waarop we samenleven en bewegen.

Hoe kijk je, met een filosofische blik, naar deze roep om meer protocollen en regels? Is dit de oplossing? 
 

De roep om meer handhaving klinkt inderdaad door in het wetsvoorstel voor een centrum voor integere sport. Interessant is de doelstelling hiervan met de kerntaken doping, matchfixing en sociale veiligheid. Hierbij valt mij op dat er een moraal wordt gehanteerd die zelden expliciet wordt gemaakt, namelijk dat de sport zelf een prachtige praktijk is. Hooliganisme, commercialisering en racisme in de sport worden dan gezien als “maatschappelijke problemen” waarvan de oorzaken buiten de sport zelf liggen en waar de sport zelf geen verantwoordelijkheid voor heeft. Deze manier van denken gaat ervan uit dat ethiek en integriteit in de sport wordt bepaald door de sportbonden en ministeries die de sport zuiveren van duidelijk aanwijsbare misstanden.  
In de conclusie van mijn proefschrift betoog ik dat deze manier van denken van ethiek - als compliance - tekortschiet. Het laat namelijk onbenoemd dat niet alleen individueel gedrag, maar ook het beleid van een sportbond of ministerie zelf moreel problematisch kan zijn, zoals de financiering afstemmen op de gehaalde medailles. Daarnaast vallen veel situaties, zeker in de topsport, in het grijze gebied: atleten twijfelen vaak of iets over de scheef is en omdat ze er niet zeker van zijn, melden ze het liever niet. Terwijl twijfel juist een belangrijke voorwaarde is voor ethiek; aarzeling schept ruimte voor meerdere perspectieven en onderlinge afstemming. Ethiek in de sport komt naar voren in het contact tussen lichamen, in een kleedkamer of op het sportveld. En lichamen zijn altijd complex: in beweging, sensitief, verlangend of zich verzettend. Wanneer er aan je haar wordt getrokken door een coach of voor een groep belachelijk wordt gemaakt, dan is dat allereerst een lichamelijke ervaring en geen schending van een abstracte regel. 

Hoe ziet een ethiek 'van onderop' eruit?

Van cruciaal belang voor het begrijpen van communicatie is wat Michel Serres ‘ruis’ noemt: ruis is niet alleen de toevallige onderbreking van informatieuitwisseling, maar de noodzakelijke voorwaarde ervan. Ruis kunnen we begrijpen als dat wat aan alle redelijkheid en overzichtelijkheid voorafgaat, maar altijd veel omvangrijker is. 
Vanuit Serres’ filosofie gezien is de roep om meer handhaving en meldpunten in de sport een poging om informatie te filteren uit ruis. De ruis is hier de onvoorspelbaarheid van lichamen - de overgave en het verzet, of het ongemak en de pijn - die moet worden gemanaged via het kanaal van meldpunten en protocollen. Serres was zelf ook rugbyer en bergbeklimmer en schreef in zijn filosofische werk regelmatig over wat fysieke activiteit met ons doet. Sportieve ervaring vraagt volgens Serres een lichamelijke metamorfose: het opent onze poriën en longen, geeft ons zelfvertrouwen, maar ligt ook dichtbij controleverlies en gevaar. Onze lichamen zijn volgens Serres niet mechanisch en voorspelbaar, maar in beginsel turbulent en transformatief. Sport is in deze zin nooit ‘veilig’ te maken, maar vraagt om continue afstemming tussen lichamen en ruimtes voor het delen van ervaringen over wat niet kan en wel.   

Waarom zou een filosoof zich met sport bemoeien? 

Interdisciplinariteit gaat volgens Serres niet per se over wetenschap, maar ook over de communicatie die mogelijk is tussen verschillende praktijken en beroepen. Serres was oud-marinier en vergeleek het combineren van natuurwetenschap en de menswetenschap met het bevaren van de Noordwestelijke Doorvaart, de nauwelijks begaanbare zeeroute tussen de Atlantische en de Grote Oceaan. Dit inspireerde mij om na te denken over de relaties tussen sport en filosofie: het lijken twee los van elkaar opererende kennisdomeinen, maar als je goed oplet vallen steeds meer routes tussen beide op. Zo vond ik dat er in de topsport vaak sprake is van een impliciete filosofie: er wordt veel belang gehecht aan snelheid en duidelijkheid en aan de opoffering die je lichaam moet maken voor een prestatie. Hierin zitten beelden over de mens, het lichaam en de wereld verpakt die een filosoof kan articuleren en tot discussiepunt kan maken. Tegelijkertijd wijst Serres erop dat de sport ook licht kan schijnen op maatschappelijke problemen: rugbyers weten hoe je agressie kunt vermijden, wielrenners hoe je het weer van vijand tot vriend kan maken en gymnasten hoe je een technisch object je eigen kunt maken – allemaal op een heel lichamelijke, intuïtieve manier die ver voorafgaat aan heldere en welonderscheiden kennis. Daarom vind ik het van groot belang om de verschillende routes tussen sport en filosofie te bevaren en in kaart te brengen. 

Je beschrijft in jouw proefschrift hoe het lichaam zélf 'denkt' en kennis vergaart. Wat kunnen trainers en beleidsmakers leren van die visie om te voorkomen dat sporters zich, zoals in het rapport staat, 'niet meer voelen bestaan' als de prestaties tegenvallen?

Eerder schreef ik het boek ‘Wij zijn ons lichaam’ vanuit het idee dat het menselijk bestaan lichamelijk is. Niet ondanks, maar dankzij het lichaam kunnen mensen doen, denken en voelen. Dit roept de vraag op: hoe kunnen we ons lichaam anders zien dan als een door het brein gestuurde machine? Van Serres leerde ik dat we ons lichaam niet moeten zien als een eenheid met functies maar als een veelheid van mogelijkheden. Neem alleen al onze enkelgewrichten: hierdoor kunnen we rechtop staan als een standbeeld, maar ook rennen als een luipaard, zwemmen als een vinvis en springen als een kikker. Het lichaam neemt dus vele vormen aan, Serres noemt ze ‘variaties’. Dit is ook voor sport een belangrijk inzicht omdat het lichaam van de topatleet vaak weer wordt gereduceerd tot het uitvoeren een enkele truc. Sporters zoals Tom Dumoulin en Ireen Wüst zeiden later ook in interviews dat deze benadering het plezier om te sporten ontnam. Sport zou ons juist moeten leren de variaties van het lichaam te ontdekken en te oefenen. Hierdoor leren we ook op andere manieren denken en kunnen we beter anticiperen op een toekomst die altijd nog onbepaald is. 

Meer informatie

Op vrijdag 30 januari 2026 verdedigt Aldo Houterman zijn proefschrift getiteld ‘Our body invents a thousand unexpected figures’. In zijn onderzoek past hij de filosofie van de Franse denker Michel Serres toe op hedendaagse vraagstukken rondom sport, het lichaam en technologie. U bent van harte uitgenodigd deze academische zitting bij te wonen. 

  • Datum: Vrijdag 30 januari 2026
  • Tijd: 13.00 – 14.30 uur (Inloop vanaf 12.30 uur. Let op: na 13.00 uur geen toegang meer)
  • Locatie: Senaatszaal, Erasmus Building, Campus Woudestein
  • Aansluitend: Receptie in Cum Laude 
Gerelateerde content
‘Ons lichaam bedenkt duizend onvermoede gedaantes’ Michel Serres’ filosofie van het lichaam, beweging en sport
esphil logo.

Vergelijk @count opleiding

  • @title

    • Tijdsduur: @duration
Vergelijk opleidingen