Als onderwijspedagoog is NIVOZ-medewerker Jelle Ris benieuwd wat we kunnen leren van filosofen die de wereld anders beschrijven. Goed onderwijs is zich bewust van de cultuur waar het deel van uitmaakt, en kan daar ook kritisch naar kijken. Dat vraagt om onderzoek naar wat we vanzelfsprekend vinden in hoe we leven en leren. Een van die vanzelfsprekendheden is hoe de moderne wetenschap naar de wereld kijkt, als iets wat we kunnen verklaren, beheersen en volledig snappen. Dat heeft een onttovering van de wereld tot gevolg. Daarom was hij op 29 oktober 2026 bij de workshop How to re-enchant the world? van de Erasmus School of Philosophy in Rotterdam, waar de vraag centraal stond hoe we de wereld weer kunnen herbetoveren.
Dit artikel is geschreven door Jelle Ris voor NIVOZ en is oorspronkelijk gepubliceerd op de website van NIVOZ. Het artikel wordt hier op de website van ESPhil in bewerkte vorm opnieuw gepubliceerd, met vermelding van de oorspronkelijke auteur en bron.
Lees het oorspronkelijke artikel op NIVOZ.nl.
De wereld opnieuw leren kennen
De organisatoren leidden de dag in met een paar kernideeën. Weten is meer dan weten hoe je iets kunt manipuleren. Daarom is wetenschap ook een dialoog, en geen eenzijdige onderwerping. Wat onderzocht wordt, wordt niet ondergeschikt gemaakt, maar gelijkwaardig benaderd. Serres wijst daarbij op het respect dat boeren en zeevaarders hebben voor de wereld waarin ze leven. Zij weten dat je de tijd niet in de hand hebt en de groei van het levende niet kunt opjagen. Een boer kan het graan niet sneller laten groeien, een zeeman kan de wind niet bevelen. Ze bewegen mee met wat uit zichzelf groeit (wat de Grieken physis noemden).
Bernadette Bensaude-Vincent: ruimte voor het onverwachte
Bernadette Bensaude-Vincent, wetenschapsfilosoof en -historicus aan de Université Paris 1 Panthéon-Sorbonne, kende beide denkers persoonlijk. Met Stengers schreef ze een geschiedenis van de scheikunde. Zij introduceerde ze en deelde haar ideeën over hen. Serres studeerde eerst wiskunde, Stengers is opgeleid als scheikundige. Gedurende vijf jaar zagen ze elkaar wekelijks in een collectief van vakgenoten. Volgens Bernadette delen de denkers drie dingen. Wat er gebeurt, had ook anders kunnen lopen (contingentie). Niet alles is terug te voeren op regels of wetmatigheden, want door lokale omstandigheden kan er iets gebeuren wat je niet had verwacht (weerbarstigheid). En ze putten uit heel verschillende bronnen van kennis om hun denken te verhelderen en verder te helpen (nomadisch denken). Ze gaan ervan uit dat er meerdere soorten rationaliteit zijn. Logica kan voor een boom heel anders zijn dan voor een mens. Serres ziet zij als iemand met plezier; zijn biografie heet niet voor niets “De vreugde van het weten”. Stengers ziet zij als iets sceptischer.
Rick Dolphijn: wijsheid begint bij het proeven
Rick Dolphijn, filosoof aan de Universiteit Utrecht, auteur van een boek over eten en samensteller van een bundel over Serres, sprak aan de hand van Serres over eten en smaak. Het Latijnse sapere betekent zowel “smaak hebben” als “wijs zijn”. Zo bekeken is Homo sapiens in de eerste plaats de mens die proeft, en pas daarna de mens die oordeelt en spreekt. Kennis komt via de zintuigen binnen, en wijsheid begint bij de mond, bij het proeven. Serres gebruikt daarvoor het beeld van twee tongen, de tong waarmee we praten en de tong waarmee we proeven. De sprekende tong heeft de proevende verdrongen. Een robot kan praten, maar niet proeven. Het is de vraag of kunstmatige intelligentie wijs zou kunnen worden. Later vroeg ik Dolphijn of het ook om andere zintuigen en om beweging ging, en dat werd beaamd.
Er was ook een duisterder toekomstbeeld. Serres spreekt van een oorlog in de toekomst, niet tussen culturen, maar tussen mensen die nog een eigen eet- en leefcultuur hebben, en mensen die zonder wijsheid en scherpzinnigheid verdoofd vegeteren. Dolphijn sprak rustig en bedachtzaam, en vertelde tegelijk een stellig en afgebakend verhaal. Iemand uit de zaal maakte daarom de prachtige opmerking: “Geef ons wat twijfel om mee te werken.” Uit een andere vraag ontstond samen nog de gedachte dat we onze leefomgeving, het land, de aarde, hoe dan ook delen, wat iemand ook heeft geproefd of welke zintuigen hem ook tot kennis hebben gebracht.
Sjoerd van Tuinen: wat maakt de wereld tot een geheel?
Sjoerd van Tuinen, universitair hoofddocent filosofie aan de Erasmus School of Philosophy en auteur van boeken over onder meer wrok, liet zien hoe Serres en Stengers voortbouwen op Leibniz, een filosoof van rond 1700. Dat deed hij met groot plezier en uiterste precisie. Hij begon bij Serres’ kritiek op de moderne filosofie. Als we steeds nadenken over ons eigen denken, vergeten we de wereld waar het eigenlijk om gaat. Terwijl kennis en denken een prachtige vorm van wereldbescherming kunnen zijn. Bij het lezen van filosofie gaat het niet om precies terugzoeken wat de schrijver bedoelde, want als je een tekst leest, kunnen er nieuwe dingen ontstaan.
Zo leest Stengers ook Leibniz. Hij zag de wereld als opgebouwd uit eenvoudige, op zichzelf staande eenheden. Om te begrijpen waarom een levend lichaam toch echt één geheel is, opperde hij een band tussen die eenheden (vinculum). Zonder die band zou een lichaam maar een verschijnsel zijn, zoals een regenboog of een spiegelbeeld. Zij maakt er iets nieuws van. Denk aan je eigen lichaam. Het bestaat uit ontelbare cellen, organen en bacteriën, die elk hun eigen werk doen. Toch zeggen we “mijn lichaam”. Volgens Stengers komt dat niet doordat er een baas is die alles bestuurt. Het lichaam is een menigte van delen die op elkaar inwerken, en er klinkt een soort echo van die menigte in ons door. Pas daardoor kun je zeggen “ik heb een lichaam”. Wat een lichaam één maakt, zijn de relaties tussen de delen, iets wat zich aan onze ogen onttrekt en misschien wel het allerbelangrijkste is. Zou dat ook gelden voor onze relaties met alles om ons heen, met andere mensen, met dieren en met dingen? Van Tuinen eindigde met de gedachte dat we onze neiging moeten afremmen om de ander naar ons eigen beeld te vormen, en ons eerst moeten afvragen wat er nodig is om echt iets met elkaar uit te wisselen.
Marjolein Oele: de verbindende kracht van liefde
Marjolein Oele, hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit, die antieke, continentale en milieufilosofie met elkaar verbindt, sprak over liefde. Ze begon bij de klimaatcrisis, die in de jaren 80 al een belangrijk deel was van Serres’ denken. Voor hem bestaat de wereld niet uit losse dingen, maar uit relaties. Alles raakt elkaar en wordt geraakt, levend en niet-levend. Hij spreekt over analyse, het uit elkaar halen van dingen, en synthese, het verbinden van dingen. In ons enthousiasme voor analyse maken we soms meer kapot dan we doorhebben en dan we zouden willen. Op het diepste niveau noemt hij deze krachten strijd en liefde. Hij bedoelt daarmee geen gevoelens, maar echte krachten in de natuur. Oele deed een pleidooi voor synthese en liefde. Dat is meer dan een naïeve wens, want ze wist dat er ook strijd nodig is om giftige gewoonten en kunstmatige grenzen te doorbreken. Ze eindigde bij Stengers, die zegt dat we in deze rampzalige tijden opnieuw moeten leren aandacht te geven, en dat de kunst van aandacht ook de kunst van liefde is. Aandacht geven vraagt volgens haar dat we verder kijken dan onze gewoonte om dingen te scheiden, en juist zoeken naar wat met elkaar verbonden is. Dat is geen taak voor één persoon, maar iets wat we met z’n allen opnieuw zouden moeten gaan doen.
Hub Zwart: de verborgen samenhang tussen wetenschap en cultuur
Hub Zwart, hoogleraar filosofie aan de Erasmus School of Philosophy en tot 2025 decaan, werkt onder meer over de filosofie van de levenswetenschappen. Hij sprak over synchroniciteit, het verschijnsel dat in dezelfde tijd dezelfde manier van denken opduikt in heel verschillende domeinen, zoals wetenschap, kunst, politiek en geneeskunde. Rond 1897, het jaar van Dracula, ging het tegelijk over bloed geven, de psychoanalyse en de typemachine. Dingen die los van elkaar lijken te staan, blijken verbonden, en samen laten ze zien wat voor tijd het is. Daarmee hoort synchroniciteit bij een betoverde wereld. De moderne wetenschap doet het tegenovergestelde. Ze trekt alles los van elkaar en legt uit hoe het werkt, om grip te krijgen. Van water maakt ze H₂O. Zo verdwijnen de dingen zoals ze ons in het dagelijks leven verschijnen, en blijft er één soort kennis over waarmee de hele wereld wordt verklaard. De twee denkers gaan daar elk op hun eigen manier tegenin. Bij de ronde tafel gaf Zwart aan dat de coronatijd liet zien wat we hadden kunnen leren als we naast wetenschappelijke kennis ook boeken, films en de ervaringen van het publiek serieus hadden genomen. Goede wetenschap staat open voor meerdere bronnen van kennis, ook voor fictie. De grens tussen wetenschap en literatuur is uiteindelijk door onszelf getrokken; literair schrijven kan zowel met filosofie als met wetenschap samenvallen.
Pedagogische reflectie
Voor mij draait onderwijs om drie dingen die met elkaar samenhangen. Om het waartoe, de vraag wat we met onderwijs willen. Om de inrichting, van ministerie tot les. En om het dagelijkse samenzijn van leraren en leerlingen, dat zich niet laat ontwerpen.
In veel van de gedachten van deze dag klinkt mogelijk een echo van meer algemeen bekende pedagogische ideeën, bijvoorbeeld van Dewey, die onderwijs zag als het leven zelf, en niet als een voorbereiding daarop. Serres en Stengers voegen daar echter wel degelijk rijke, vernieuwende ideeën aan toe. Serres schreef zelf ook over onderwijs, als een oversteek naar het onbekende.[4] De verbindingen die ik hieronder leg, zijn nog vrij algemeen. Wat de denkers onderscheidt van andere filosofische bronnen voor het onderwijs, vraagt om verdere studie.
Onderwijs is er om nieuwe generaties in staat te stellen het leven vorm te geven, samen met de oudere generaties en later met de generaties na hen. Daarom vertellen we over de wereld. De vraag is hoe. Als leren alleen gaat om grip krijgen, wordt de wereld iets wat we gebruiken, en verstoren we de ecologische samenhang waar we zelf deel van uitmaken. Kunnen we ook zo over de wereld vertellen dat we haar heel houden? Dat vraagt meer dan de eerste tong, die benoemt, uitlegt en analyseert. Het vraagt ook de tweede tong, die proeft en ziet hoe dingen samenhangen. Intelligentie is trouwens altijd al een beetje kunstmatig, want zodra we haar aanwijzen en benoemen, hebben we haar uit het geheel losgemaakt. Terwijl ons hele lichaam, tot onze darmen en tenen, op eigen manier intelligent is.
Als we liefde en samenhang serieus nemen als krachten, vraagt dat ook om onderwijs dat anders is ingericht, met meer verbondenheid tussen generaties en met het leven. In veel inheemse culturen worden jongeren in het leven ingeleid via overgangsrituelen. Pedagogisch gezien hoort daarbij ruimte om te oefenen en te proberen, zonder dat meteen alles op het spel staat. Opvoeders en leraren dragen eerst de verantwoordelijkheid voor wat jongeren zelf nog niet kunnen. Die verantwoordelijkheid geven ze stap voor stap over, tot jongeren steeds zelfstandiger kunnen beoordelen wat ze wel en niet kunnen.
Zo’n inleiding in het leven verloopt geleidelijk en gezamenlijk. Dat vraagt iets anders dan de huidige inrichting van ons onderwijs, waar het leren, tot in de wet toe, in structuren wordt gedwongen en kunstmatig opgedeeld.
Op het niveau van het stelsel gaat het om de vraag wie richting geeft aan het onderwijs. Ik hoop dat dat onderwijspedagogen zijn die zich door filosofen laten inspireren. Filosofie kan helpen om onbesproken aannames bespreekbaar te maken. Zo kunnen we weerstand bieden tegen onpedagogische inmenging van buitenaf door op winst gerichte bedrijven. Dat zal niet makkelijk zijn, maar het hoort bij onze pedagogische verantwoordelijkheid.
Ook binnen de school kan het anders. De wereld hangt al samen, maar wij hebben haar in het onderwijs in vakken opgedeeld, die we ook nog afzonderlijk toetsen, vooral op de middelbare school. Dat had net zo goed anders kunnen zijn. Dit is geen pleidooi om vakken af te schaffen, want ook het uit elkaar halen heeft waarde en vakken brengen diepgang. Het gaat om evenwicht, zodat de samenhang tussen de vakken zichtbaar blijft.
Het beoogde tempo en de grote schaal waarop we onderwijs organiseren, kunnen anders. Groei laat zich niet opjagen. En wat op de ene plek werkt, werkt niet vanzelf ook ergens anders, want elke plek heeft zijn eigen omstandigheden. Een school kan de voorwaarden scheppen waarin aandacht kan ontstaan, door leerlingen ruimte en tijd te geven en niet alles tegelijk te willen. Dan kan ook de band groeien, tussen leerlingen onderling en met hun leraren, die er meer van maakt dan een verzameling losse leerlingen en leraren.
Inhoudelijk kan het evengoed anders. We kunnen de wereld laten proeven, ook letterlijk, en haar laten horen en ervaren. We kunnen boeken, films en kunst net zo serieus nemen als wetenschap. En in wat we in het onderwijs doen, kunnen we ruimtes openen en ontmoetingen ensceneren met wat ertoe doet in de wereld, zodat er nieuwe dingen kunnen ontstaan.
In het dagelijkse samenzijn, in wat zich niet laat ontwerpen, handelen leraren en leerlingen samen. Daar kan altijd iets onverwachts gebeuren, en dat vraagt alertheid, hier en nu, met deze leerlingen. Dan komt het aan op aandacht. Aandacht geven is een kunst van liefde en zorg. Je beslist niet te snel wat en wie ertoe doet, en je staat open voor alles wat meedoet, ook de natuurlijke omgeving en de dingen. Zo benader je alles als gelijkwaardig en erken je dat alles er mag zijn. Je remt ook de neiging af om de ander naar je eigen beeld te vormen, en vraagt eerst wat er nodig is om echt iets met elkaar uit te wisselen. De pedagogische relatie, tussen leraar en leerling, tussen leerlingen onderling en met de omgeving en de dingen, is een onzichtbare band, en misschien wel het allerbelangrijkste in onderwijs.
Serres en Stengers geloven in de wereld. De aarde dringt zich aan ons op en laat zien dat we haar veranderen, en wat dat kost. Zij zal ons onze onwetendheid nooit meer teruggeven. Tegenover één soort kennis die de hele wereld verklaart, zetten de twee denkers vele soorten kennis en rationaliteit. Herbetoveren kan dan betekenen dat we de wereld weer zien in haar samenhang. Voor Serres is samenhang geen vaste orde, maar juist openheid. De dingen kunnen op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. Als onderwijs die samenhang serieus neemt, moet het als praktijk meer samenhangen met de wereld waar het deel van uitmaakt. Ook binnen het onderwijs zelf is aan samenhang te winnen, pedagogische samenhang. Dan zijn het waartoe, de inrichting en het dagelijkse samenzijn op elkaar afgestemd. Maar onderwijs is (gelukkig) nooit af. Het is een streven waarin het streven zelf het doel wordt. Daar zijn toewijding en liefde voor de wereld voor nodig.
Als pedagogisch troubadour was ik een dag te gast in een wereld van prachtige theorie. Die inspireert mijn denken over pedagogiek en mijn werk, en geeft daarin belangrijke oriëntatie. Ze verrijkt en nuanceert mijn oordeelsvermogen, en daarmee hoe ik mijn werk aanvlieg, ontwerp en uitvoer.
Ik zie onderwijs als een betekenisgevende, artistieke praktijk. Zo bekeken valt er bij een reeks lezingen nog aan creativiteit te winnen, een opzet die vooral de eerste tong aanspreekt. Juist denkers die zo pleiten voor de zintuigen, voor samenhang en voor het onverwachte, nodigen uit om hun ideeën niet alleen te horen, maar ook te proeven.
Met dank aan Joost De Raeymaecker en Aldo Houterman voor het organiseren van deze inspirerende dag.
- Meer informatie
Dit artikel is geschreven door Jelle Ris en bewerkt voor de website van ESPhil. Oorspronkelijk artikel isgepubliceerd op de website van NIVOZ.
Lees het oorspronkelijke artikel op NIVOZ.nl.

