Stay in touch!

Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten, staat er met grote letters boven de ingang naar de Metro op Rotterdam Centraal. De tekst is één van de voorbeelden van Erasmusteksten in de openbare ruimte die in het kader van de activiteiten van Erasmus Icoon van Rotterdam het gedachtegoed van de naamgever van onze universiteit dichter bij de mensen moet brengen.

Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten: het is een mooie, troostrijke spreuk, die meer dan ooit relevant lijkt nu er in Coronatijd bijna niemand meer is op Rotterdam Centraal – alsof Erasmus iets bedacht dat bij uitstek vooruitliep op latere, digitale eeuwen.

Maar hoe relevant Erasmus’ gezegde ook lijkt, ze doet mij tegelijkertijd denken aan de soms ongemakkelijke, zelfs paradoxale verwijzingen van Erasmus naar de aan- of afwezigheid van anderen. In zijn tijd waren er nog geen digitale media, maar des te meer brieven. Waar die brieven mensen soms over grote afstanden met elkaar in contact brachten, boden ze Erasmus even vaak de mogelijkheid mooie, in humanistische formuleringen gevatte klaagzangen aan te heffen over de afwezigheid van een verre vriend: “Ik benijd [deze] brief een beetje, want hij krijgt de gelegenheid, die ik niet krijg: u te zien”; of: “Jouw brieven […] boeien mij zó dat ik er steeds heviger naar verlang je weer eens te ontmoeten.” Vaak wordt de troostrijke gedachte dat we ook op afstand met elkaar in contact kunnen blijven in Erasmus’ eigen brieven afgevlakt of zelfs tegengesproken, want uiteindelijk is ook voor de humanist het geestelijke contact niet meer dan een pover substituut voor de lijfelijke aanwezigheid.

Op zich is dat natuurlijk een gezonde gedachte, maar vanuit de klassieke filosofie is het toch ook een eigenaardige. In navolging van antieke moraalsystemen probeerde Erasmus zijn lezerspubliek er in al zijn werken immers religieus en filosofisch van te overtuigen dat de mens de mogelijkheid had zich geestelijk te verheffen en daarmee een hoger moreel niveau te bereiken. De intellectueel geruststellend bedoelde uitspraak Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten past precies bij dat Platoons-Stoïsche ideaal – het ideaal van de wijze die op superieure wijze in staat is zich met het geestelijke tevreden te stellen en onverschillig staat tegenover de laag-bij-de-grondse impulsen van het gewone volk.

Eénentwintigste-eeuwers zijn ver afgedwaald van zulke overtuigingen. Inmiddels aanbidden wij precies wat de klassieke wijze diende te verachten: vanuit modern perspectief zijn mensen immers niet zinvol bezig als zij wat zij doen niet ook “met passie” doen. Het is een omslag die rechtstreeks verband houdt met die andere filosoof die de focus vormt van mijn academische onderzoekslijn in Rotterdam: René Descartes. In diens Passies van de Ziel wordt in 1649 voor het eerst de gedachte losgelaten dat onze passies onze moraal in de weg zitten en daarom zouden moeten worden bevochten. Ook wordt in datzelfde boek de klassieke, intellectualistische en cerebrale focus van de filosofie losgelaten, door tegelijkertijd met de passies het menselijk lichaam centraal te stellen, dat volgens Descartes in wisselwerking met onze sociale en natuurlijke omgeving de voedingsbron is van onze emoties.

In tijden van Corona blijken Erasmus en Descartes nog lang niet over hun houdbaarheidsdatum heen. Hoezeer Erasmus de redelijkheid van de mens ook koppelde aan de noodzaak tot vergeestelijking van die mens, hij ging nooit zover in zijn miskenning van het lichaam dat hij niet net als anderen vluchtte voor de pest. Het goede leven stond nog steeds voorop, maar als we niet leven, konden we ook niet goed leven, vond Erasmus. Bij hem ontbreekt dan ook totaal de sinistere hang naar het grote geluk van de ziel in het hiernamaals, een hang die we vanuit de Lutherse traditie zo goed kennen uit de Cantates van Johann Sebastian Bach.

Disciplineren moeten we onszelf echter nog steeds. Beschaafd volhouden, juist in een “intelligente” – dat wil zeggen: zelf verkozen – lockdown, vergt een hoop mentale training. Geen wonder dat we Erasmus’ Stoïsch-Platoonse boodschap vandaag de dag weer overal tegenkomen in sociale en ouderwetse media. Zelfs Foucault, die toch eerder cynisch over disciplinering sprak, is inmiddels een volbloed Stoïcus geworden in wijsgerige reflecties op het virus.

Het kan ook nauwelijks anders, aangezien het volgen van de rede ook in onze tijd nog steeds een hoop zelfbeheersing vereist. De vergeestelijkte rede van Erasmus is dus nog net zo relevant. Maar toch voel ik in tijden van Corona meer de behoefte de lijn van Descartes te volgen en te filosoferen vanuit de lichamelijke beleving. In de eerste plaats natuurlijk vanwege het bredere doel van de filosofie bij Descartes: de bevordering van de geneeskunde. Bij alle terechte aandacht voor de zorg, wordt wat mij betreft in het publieke debat nog te weinig stilgestaan bij het ongekende succes van geneeskunde en biotechnologie waar we mogelijk getuige van gaan zijn in deze pandemie. Hoe ingewikkeld het ook is, misschien gaan we voor het eerst in de menselijke geschiedenis de pest door eigen ingrijpen verslaan – een situatie waarin we ten tijde van de Spaanse griep nog slechts konden dromen.

Ten tweede volg ik liever de lijn van Descartes, omdat het leven niet alleen in dienst zou moeten staan van de rede. Dat we sinds 1500 een samenleving hebben ontwikkeld waarin miljoenen mensen zichzelf een vorm van gedrag weten op te leggen waarin meedoen aan een lockdown haast vanzelfsprekend is, zou ongetwijfeld de verbazing hebben gewekt van Erasmus. Maar we hebben die verandering alleen kunnen bewerkstelligen door niet louter de vergeestelijkte engelen te worden die klassieke en Christelijke filosofen zich daarbij hebben voorgesteld. In plaats van de rede te laten bloeien ten koste van die vervloekte passies, hebben we inmiddels een visie op de redelijkheid ontwikkeld waarin individuele karaktertrekken en persoonlijke voorkeuren niet alleen worden meegewogen in ons idee van welbevinden, maar waarin onze trouw aan onze ‘passies’ zelfs maatstafgevend is geworden voor persoonlijke ontwikkeling. En zo hebben we ook onszelf beter leren kennen. Een lockdown lukt niet louter door zelfbeheersing en disipline, maar juist doordat we weten wat ons nog liever is dan de rede, en we in Frontberichten en Koninklijke toespraken onszelf toestaan niet alleen gedisciplineerd, maar ook begaan en emotioneel betrokken te zijn.

Wat onze lockdown mij tot slot ook eerder bij Descartes brengt dan bij Erasmus, is het idee dat beschaving niet hoeft samen te gaan met het bezweren van het lichaam. De klassieke tegenstelling die in alle tijden en religies (net als in de Westerse filosofie van vóór en na Descartes) gemaakt is tussen het redelijke en het lichamelijke is één van de meest onredelijke ideeën die er is. Descartes’ wending naar de bewuste, belichaamde ervaring sluit veel beter aan bij waar ik naar hunker in tijden van Corona: Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten – dat kan wel zo zijn, maar wat schiet ik daarmee op, eenzaam Zoomend aan mijn kille laptop? Was ik eindelijk maar weer eens op Rotterdam Centraal!