Haar oma was kleuterjuf en haar moeder directrice van een basisschool. Zelf koos Biene Spijkers eerst voor de bachelor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen, om vervolgens toch in het onderwijs terecht te komen. Ze zit in het eerste jaar van de Educatieve Master Primair Onderwijs en loopt stage in de bovenbouw van Openbare Montessori Basisschool De Mare. Dat in deze master naast de theorie de praktische kant zo’n belangrijke plek inneemt, bevalt haar uitstekend.
Toen ze op de middelbare school een profiel moest kiezen, sloeg bij Biene de twijfel toe. Ze had in haar hoofd dat ze Diergeneeskunde zou gaan studeren, maar Natuurkunde en Scheikunde waren niet haar favoriete vakken. De andere studieopties die ze overwoog, waaronder de Academische PABO, zaten meer aan de sociale kant.
Een enthousiaste docent Maatschappijleer wakkerde haar politieke interesse aan: ‘Hij heeft me, misschien onbewust op dat moment, best wel enthousiast gemaakt voor de wat meer bestuurlijke politieke zaken. Niet wat er bij de NAVO of met het leger van de EU gebeurde, maar de politiek-maatschappelijke kwesties spraken me aan.’
Ze schreef zich in voor de bachelor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen, om er na anderhalf jaar achter te komen dat dat het toch niet was. Ze besloot haar bachelor toch af te maken en op zoek te gaan naar een master in een ander vakgebied. Het onderwijs bleef haar aantrekken en zo kwam ze bij de EMPO terecht. Juist de combinatie tussen theorie en praktijk sprak haar aan: ‘Ik ben gewoon iemand die er echt van houdt om iets om iets uit te voeren en op die manier iets bij te dragen. Ik was bijvoorbeeld ook niet de persoon om woordjes te stampen of voor een tentamen te blokken. Ik ben een hartstikke slimme meid, al zeg ik het zelf, maar dat waren niet de dingen die in mijn straatje thuishoorden.’
‘Ik ben gewoon iemand die er echt van houdt om iets om iets uit te voeren en op die manier iets bij te dragen.’
Biene loopt nu stage op Montessorischool De Mare. In de bovenbouw, waar 26 leerlingen uit groep 6, 7 en 8 bij elkaar in een klas zitten. Dat bevalt haar goed: ‘Geen enkele dag is hetzelfde, je maakt steeds andere dingen mee. De ene dag kom je kapot thuis en de andere dag ben je helemaal weer opgeladen door leuke dingen die de kinderen hebben gedaan of inspiratie die je hebt opgedaan.’ Met zichtbaar plezier vertelt ze over een samenwerkingsopdracht die ze haar leerlingen afgelopen week gaf: ‘Ze moesten een toren bouwen van spekjes en ongekookte spaghetti. Het is leuk om te zien wat er dan gebeurt: het ene groepje werkt soepel samen, in het andere groepje heeft iedereen ideeën maar luistert er niemand en uiteindelijk hebben sommige kinderen uit groep 6 een hogere toren dan die uit groep 8. Onbewust leren ze veel tijdens zo’n opdracht en het geeft ons veel inzicht in hoe leerlingen met een situatie omgaan.’
Verstandige keuzes
De dagen voor de klas wisselt ze af met haar studie. De workload is wat anders dan die van haar bachelor: ‘Ik merk nu wat echt studeren is. Ik heb net zoveel contacturen als tijdens mijn bachelor, alleen loop ik er twee dagen stage naast. De load aan zelfstudie staat wel in verhouding met wat je moet doen, maar soms moet je ook nog wel een les voorbereiden. Tijdtekort wil ik het niet noemen; je moet soms verstandige keuzes maken. Wat doe je wel en wat doe je niet?’ Biene glimlacht: ‘En de ene week maak je een andere keuze dan de andere week, maar er is nog genoeg tijd om leuke dingen te doen.’
Het helpt dat ze de theorie al snel kan inzetten: ‘Als ik iets leer, betekent dat niet dat ik het de volgende stagedag meteen implementeer, maar het blijft wel in je achterhoofd hangen. Zo hebben we college gehad over het aansluiten bij de leefwerelden van de kinderen. In sommige rekenboeken moeten ze berekenen hoeveel tegels er nodig zijn om de tuin te beleggen. En dan denken de kinderen: ik heb helemaal geen tuin! En dan gaan sommige leerlingen gewoon uit.’
‘Als ik iets leer, betekent dat niet dat ik het de volgende stagedag meteen implementeer, maar het blijft wel in je achterhoofd hangen.’
Dynamische verschillen
Daarnaast leert Biene omgaan met de culturele verschillen op haar stageschool: ‘Soms moet je de balans vinden tussen de schoolregels, je waarden als mens en je waarden als leerkracht. Bijvoorbeeld tussen wat kinderen vanuit hun cultuur hebben meegekregen en de dingen die jij van een leerling verwacht. Dat kunnen leerlingen zijn die je niet aankijken als je tegen ze praat, omdat ze thuis hebben meegekregen dat het niet respectvol is om iemand aan te kijken. Dat zijn dingen waar ik interesse in heb en waar ik me bewust in verdiep. Dat brengt me veel inzicht en soms geeft dat weerstand. Maar het is zo dynamisch wat er gebeurt op zo’n school. De thuissituaties die ze meenemen; kinderen die bij hun opa of oma wonen of die geen of maar één ouder hebben. Dat vraagt inlevingsvermogen. Je kan nog steeds dingen niet goedkeuren, maar wel begrijpen waarom leerling soms handelen zoals ze handelen.’
‘Soms moet je de balans vinden tussen de schoolregels, je waarden als mens en je waarden als leerkracht.’
Plezier voor de klas
Biene herinnert zich hoe ze als kind weleens meeging naar de school van haar moeder. Daar leerde ze misschien wel haar belangrijkste les als leerkracht: ‘Als ze een studiedag hadden of als we gingen opruimen voor de zomervakantie zag ik hoeveel plezier kinderen kunnen beleven op school. Ik had het idee dat dat echt lag aan de sfeer van de school, hoe deze eruit zag, maar ook aan het docententeam en de mensen die er rondliepen. Veel leerkrachten waren leuk en enthousiast. Dat besef je dan als kind wat minder, maar ik heb daar wel echt gezien hoe belangrijk dat is: als je met plezier voor de klas staat, krijgen de kinderen ook plezier. Dat neem ik altijd mee.’
