Als economen het in plaats van politici voor het zeggen hadden

Vrij Nederland
Erasmus School of Economics

Hoewel economen vaak het verwijt krijgen dat ze het nooit met elkaar eens kunnen worden, is dit vaak genoeg wel het geval. Helaas zijn politici niet óók eenstemmig over deze onderwerpen. Wat zijn deze onderwerpen waar onder de meeste economen wel consensus over is waar politici geen heil in zien? In een artikel van Vrij Nederland bespreekt hoogleraar overheidsfinanciën en economisch beleid aan Erasmus School of Economics Bas Jacobs zeven onderwerpen, waarbij de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen ook onder de loep worden genomen. 

Vrijhandel

Het is voor de meeste mensen wel duidelijk dat globalisering ons goede dingen heeft gebracht. Echter, de afgelopen jaren zijn ook de schaduwzijden van globalisering duidelijk geworden: vanwege de concurrentie met lagelonenlanden zijn er ook sectoren in Nederland die een neerwaartse druk op de lonen ondervinden. Niet iedereen profiteert per definitie van vrijhandel. In theorie wordt door economen gewezen op het feit dat degenen die profiteren van vrijhandel de verliezers kunnen compenseren, maar in de praktijk blijkt dat dit onvoldoende gebeurt.

Concurrentie en mededinging

Bijna geen enkele politieke partij is een voorstander van meer concurrentie, behalve in het uitzonderlijke geval van grote internetbedrijven als Facebook, Google en Amazon. Vrije toe- en uittreding en concurrentie op een markt kunnen ertoe leiden dat een markt juist efficiënt functioneert, omdat bedrijven moeten blijven innoveren en hun producten tegen competitieve prijzen moeten verkopen om te kunnen overleven. Dit idee is echter uit de gratie gevallen: partijen zijn eigenlijk voornamelijk tegen oneerlijke concurrentie in markten vanwege fiscale voordelen of andere barrières. Een pure vorm van concurrentie wordt nauwelijks meer benoemd, zelfs niet door de traditioneel liberale partijen.

Belasting op onroerend goed

Belastingen op onroerend goed zijn de meest doelmatige belastingen die bestaan: er zijn namelijk nauwelijks verstoringen van de reële economie, omdat inkomen uit onroerend goed vaak weinig werk vereist. Mensen kunnen een belasting op onroerend goed ook nauwelijks ontwijken of ontduiken. Het is op zijn minst merkwaardig te noemen dat partijen niet meer gebruik willen maken van deze vorm van belasting. Voor rechtse partijen zou dit goed zijn omdat andere belastingen op hard werk dan naar beneden bijgesteld kunnen worden. Tevens zou het goed zijn voor linkse partijen, omdat het inkomens- en vermogensongelijkheid tegengaat, zowel binnen als tussen generaties. Economen pleiten ervoor dat het eigen huis op dezelfde manier wordt belast als spaargeld. Ook moeten eigenlijk vermogenswinsten bij het verkopen van huizen belast worden, maar hier durven partijen hun handen niet aan te branden. Dit heeft voornamelijk te maken met het feit dat electoraal Nederland profiteert van de huidige fiscale maatregelen, waardoor het politiek gezien suïcidaal zou zijn om hier op enige wijze afbreuk aan te doen.

Erfbelasting

De meeste economen vinden dat erfenissen veel zwaarder moeten worden belast. De meerderheid van de mensen wil sowieso niet echt iets nalaten aan hun kind. Ook hier is sprake van een vorm van vermogen waar de ontvanger nauwelijks iets voor hoeft te doen, wat het slecht valt te verantwoorden dat diegene er volledig recht op heeft. In het geval van écht rijke mensen wordt geprobeerd om zelfs nog minder belasting te betalen dan onder de huidige Successiewet vereist is: ze zoeken de mazen in de wet op om via bedrijfsopvolging hun vermogen bijna belastingvrij over te dragen aan hun kinderen.

Beprijzing van milieuschade

De beroemde econoom Arthur Pigou pleitte in 1911 al voor het belasten van bedrijven die hun omgeving vervuilen. De meeste economen zijn ook in dit geval eensgezind: het beprijzen van broeikasgassen als koolstofdioxide zou toegepast worden in de gehele economie. Iedereen moet betalen voor datgene wat hij uitstoot, zonder uitzonderingen, bij voorkeur via een Europees stelsel. In de politiek is echter iets vreemds gaande: linkse partijen geven de schuld aan marktwerking bij problemen in bijvoorbeeld de zorg, terwijl ze bij het beprijzen van uitstoot juist gebruik willen maken van het marktmechanisme. En waar rechtse partijen vrije marktwerking over het algemeen ruim baan geven, doen zij dit weer niet bij het beprijzen van uitstoot. Dit beleid is dus zowel in het geval van de linker- als rechtervleugel tegenstrijdig. Het zesde punt, het invoeren van rekeningrijden, is vergelijkbaar het beprijzen van milieuschade: rekeningrijden is namelijk ook een oplossing voor een externaliteit, namelijk dat geen enkel individu rekening houdt met filevorming en het belang van alle automobilisten als geheel. Door congestie een prijs te geven, zouden files verleden tijd zijn, met grote winsten qua tijd en efficiëntie tot gevolg.

Kapitaaleisen aan banken

Banken nemen veel te veel risico, omdat ze te weinig blootgesteld worden aan het risico dat ze zelf nemen. Hun beleggingen waren ten tijde van de financiële crisis van 2008 gefinancierd met 2% eigen vermogen en 98% vreemd vermogen (!). Door hogere kapitaaleisen worden de belangen van banken meer op een lijn gebracht met het algemeen belang, omdat ze ook zelf de pijn voelen van een slechte belegging of keuze als het fout gaat. Dit betekent dat een financiële crisis sneller voorkomen of beperkt kan worden. Kapitaaleisen zijn naar aanleiding van de crisis verhoogd tot een minimum aan aangehouden eigen vermogen van 3%. Dit is nog steeds absoluut te weinig, want het eigen risico van banken is op deze wijze alsnog beperkt tot een minimum. Voorstellen van economen noemen eerder een percentage van 15%.

Meer informatie

U kunt het volledige artikel van Vrij Nederland, 13 maart 2021, hier lezen.