Creëren opiniepeilingen momentum bij politieke strijd?

Creëren opiniepeilingen momentum bij politieke strijd?

Hoewel een geïnformeerd electoraat in het algemeen als essentieel wordt gezien voor een goed functionerende democratie, vormt informatie uit peilingen over de positie van kandidaten ten opzichte van elkaar een uitzondering. Critici zeggen dat peilingen zowel de drijfveer om te gaan stemmen als de stem zelf beïnvloeden.

Daarom is in veel landen het publiceren van peilingen voorafgaand aan de verkiezingen verboden. Dit verbod kan uiteenlopen van een dag voor de verkiezingen, zoals in Frankrijk, tot een gehele maand voor de verkiezingen, zoals in Luxemburg.[1]

In wetenschappelijke onderzoeken worden verschillende redenen genoemd waarom opiniepeilingen stembeslissingen kunnen beïnvloeden. Dit loopt uiteen van de neiging van kiezers om te stemmen op de uiteindelijke winnaar, via 'social learning' (hetzelfde stemmen als iemand anders) en het vermijden van onzekerheid, tot strategisch stemmen en helemaal niet gaan stemmen.[2] Wat deze fenomenen gemeen hebben is dat ze de directe invloed van peilingen op kiesgedrag laten zien. Waar tot dusver geen aandacht voor is geweest, is dat peilingen ook de kandidaten informeren over hun positie ten opzichte van elkaar tijdens hun campagne. Dit heeft weer invloed op de motivatie van kandidaten om te investeren in hun campagnes. Uiteindelijk hebben deze investeringen weer invloed op de beslissing van kiezers op de verkiezingsdag en dus op de uiteindelijke verkiezingsuitslag.

Op welke manier beïnvloeden opiniepeilingen politieke strijd? Ter illustratie: stel, er zijn twee kandidaten die even capabel en van tevoren even populair zijn, en die allebei de verkiezingen willen winnen. Ze voeren gedurende een bepaalde periode campagne en in deze periode is hun populariteit onderhevig aan willekeurige (onzichtbare) schommelingen. Zonder peilingen weten kandidaten niets over hun positie bij de kiezer ten opzichte van elkaar en hun motivaties zijn op ieder gegeven moment dus volledig symmetrisch. Maar wanneer er wel peilingen zijn, krijgen de kandidaten updates over hun actuele positie ten opzichte van elkaar. Hun motivatie verandert daardoor op de volgende manier. Een kandidaat die informatie krijgt dat ze ver voor ligt, heeft extra motivatie om te investeren. De reden daarvoor is dat extra investeringen ervoor zullen zorgen dat ze bij de volgende peiling naar verwachting een nog grotere voorsprong heeft. Dit zorgt ook voor een daling in de verwachte intensiteit en dus de verwachte kosten van de toekomstige strijd. Aan de andere kant heeft een kandidaat die ver achter ligt een minder sterke motivatie om te investeren. Extra investeringen brengen haar naar verwachting in de volgende peiling dichterbij haar concurrent waardoor de strijd in de toekomst naar verwachting heftiger en kostbaarder wordt. Als gevolg daarvan drijven peilingen een wig tussen de investeringsmotivatie van de achterliggende en de leidende kandidaat en creëren zo momentum voor de leider.

Wanneer de campagne-uitgaven relatief effectief zijn en de kandidaten dichter bij elkaar liggen, geldt dit ook voor de achterliggende kandidaat. Een grote investering helpt haar om haar concurrent in te halen en vermindert tegelijkertijd de verwachte toekomstige strijd. In dit soort situaties zijn beide kandidaten gemotiveerd om elkaars plaats in te nemen met als doel om in de toekomst kosten te besparen. In dergelijke situaties kan er momentum ontstaan, maar ook kan het zijn dat de achterliggende kandidaat meer uitgeeft en beter presteert dan de leider.

In landen als Nederland, waar kandidaten voldoende belang hechten aan het aandeel van de stemmen dat ze behalen (en niet alleen aan de vraag of ze een meerderheid kunnen behalen), is de verdeling van de kiezersvoorkeuren belangrijk. In een voldoende gepolariseerd electoraat heeft een achterliggende kandidaat een sterkere motivatie om te investeren. De reden daarvoor is dat de strijd vanwege de polarisatie het hevigst is aan de uiteinden van het kiezersspectrum, waardoor het opschuiven richting het centrum de concurrentie vermindert en de verwachte toekomstige kosten verlaagt.

Wat kunnen we hieruit concluderen over de invloed van peilingen? Allereerst beïnvloeden peilingen beslissingen van kiezers niet alleen op een directe manier. Daarom zal een verbod op het publiceren van peilingen niet alle effecten van peilingen wegnemen, omdat kandidaten hun eigen peilingen kunnen laten uitvoeren. Peilingen kunnen in het voordeel zijn van de leider of de achtervolger, afhankelijk van de specifieke verkiezingsomstandigheden. Indien een regering de invloed van peilingen wil beperken, dan moet een verbod op peilingen aangevuld worden met beperkingen op campagne-uitgaven. Aan de andere kant zien we ook positieve effecten van peilingen.  Zo wordt asymmetrie in populariteit in eerste instantie versterkt door een peiling. Dit heeft een matigend effect op de concurrentie en leidt zo dus tot minder campagne-investeringen. Dat vermindert de verspilling door campagne voeren.

Dit artikel is gebaseerd op een paper samen met Philipp Denter, getiteld “Do Polls Create Momentum in Political Competition?”

CV

Dana Sisak is op dit moment universitair docent bij de capaciteitsgroep Algemene Economie aan de Erasmus School of Economics en kandidaat fellow van het Tinbergen Instituut. Zij heeft onder meer gestudeerd aan University of California, Berkeley en is gepromoveerd aan de universiteit van St. Gallen, Zwitserland.

Meer informatie
[1] http://aceproject.org/epic-en/CDTable?question=ME062&view=country&set_language=en. In Nederland zijn er geen beperkingen op dit gebied.
  [2] Zie Hong, C. S., & K. Konrad (1998): “Bandwagon Effects and Two-Party Majority Voting,” Journal of Risk and Uncertainty, 16(2), 165–172; Goeree, J., & J. Großer (2007): “Welfare Reducing Polls,” Economic Theory, 31(1), 51–68; Ali, S. N., & N. Kartik (2012): “Herding with Collective Preferences,” Economic Theory, 51(3), 601–626; Callander, S. (2007): “Bandwagons and Momentum in Sequential Voting,” Review of Economic Studies, 74(3), 653–684; Straffin Jr., P. D. (1977): “The Bandwagon Curve,” American Journal of Political Science, 21(4), pp. 695–709.