Hoge kosten laten particuliere beleggers weinig extra rendement over bij Europese private-marktfondsen

Nieuw onderzoek van universitair hoofddocent Daniel Urban van Erasmus School of Economics laat zien dat particuliere beleggers in Europese private-marktfondsen soms meerdere malen meer betalen dan voor een indexfonds, terwijl het verwachte rendement niet hoger ligt.

ELTIF-markt sterk gegroeid

European Long-Term Investment Funds (ELTIFs) zijn in 2015 geïntroduceerd om particuliere beleggers toegang te geven tot private equity, private credit en infrastructuur. Beleggingen in private markten worden niet verhandeld op een effectenbeurs. Het gaat bijvoorbeeld om belangen in niet-beursgenoteerde bedrijven (private equity), leningen die rechtstreeks aan bedrijven worden verstrekt buiten het bancaire systeem om (private credit), en projecten zoals energienetwerken of tolwegen (infrastructuur). Dergelijke beleggingen waren van oudsher vooral toegankelijk voor pensioenfondsen, verzekeraars en vermogende particulieren, omdat het geld vaak jarenlang vaststaat en de minimale inleg hoog is. ELTIF is een Europees fondsenlabel dat deze beleggingen bundelt in een gereguleerd fonds waarin ook gewone spaarders en particuliere beleggers kunnen investeren. Sinds de hervormingen van 2024 is de minimale inleg van €10.000 afgeschaft en zijn open-endfondsen toegestaan. De markt is inmiddels gegroeid tot circa €34 miljard. Urban analyseerde de wettelijke documentatie van 162 ELTIFs en 746 in euro luidende share classes, waarmee vrijwel de gehele Europese markt in beeld is gebracht.

Hoge kosten drukken het rendement

De mediane retailversie van een ELTIF kost 3,4 procent per jaar, inclusief alle kosten. Een ‘share class’ is een andere versie van hetzelfde fonds, met dezelfde beleggingen maar andere kosten. Dit is twee keer zoveel als de doorlopende kosten van een regulier, beursgenoteerd beleggingsfonds met actief beheer en meer dan tien keer zoveel als die van een indexfonds.

Tegelijkertijd verwachten ELTIFs een mediaan rendement van 7,5 procent per jaar na kosten. Een wereldwijd aandelenindexfonds realiseerde in 2016–2025 gemiddeld 11,1 procent netto per jaar. Vier op de vijf retail-share classes zouden daarom slechter presteren dan het indexfonds, zelfs als zij hun eigen verwachte rendement behalen.

De fondsen gaan daarbij wel uit van hoge rendementen op de onderliggende beleggingen: voor private equity bijvoorbeeld circa 14–15 procent per jaar vóór kosten. Volgens Urban wordt een groot deel van dit extra rendement echter door de kosten opgeslokt voordat het de particuliere belegger bereikt.

Particulieren betalen meer voor dezelfde portefeuille

Particuliere beleggers betalen gemiddeld 0,6 procentpunt per jaar meer dan institutionele beleggers voor identieke portefeuilles. Bij de 36 fondsen die zowel retail- als institutionele versies aanbieden, wordt driekwart van dit verschil veroorzaakt door beheerkosten. De extra kosten lijken vooral samen te hangen met de manier waarop de fondsen worden verkocht en niet met liquiditeit. Bij 98 procent van de fondsen zijn de voorwaarden voor uitstappen bij de goedkoopste en duurste versies van hetzelfde fonds identiek.

Goedkoopste optie wordt vaak niet benut

Bijna ieder fonds biedt een relatief goedkope versie aan, maar particuliere beleggers komen daar niet automatisch in terecht. De duurste versie bevat 35 procent van het particuliere vermogen, tegenover 26 procent voor de goedkoopste. Urban schat dat jaarlijks €100–145 miljoen kan worden bespaard als particuliere beleggers naar de goedkoopste beschikbare versie worden geleid.

Beperkte liquiditeit en onduidelijke informatie

Hoewel inmiddels de helft van de ELTIFs open-end is, blijft de liquiditeit beperkt. Een typisch evergreen-fonds biedt slechts ieder kwartaal de mogelijkheid om uit te stappen, na een opzegtermijn van 90 dagen en met een limiet die opnames per periode beperkt tot 5 procent van het fonds. Slechts één op de vijf fondsen is toegankelijk met een inleg van €1.000 of minder.

Urban constateert ook tekortkomingen in de manier waarop risico's en kosten worden weergegeven. Risico-indicatoren kunnen de risico's van illiquide fondsen onderschatten, terwijl identieke afspraken over performance fees op verschillende manieren kunnen worden gerapporteerd. Ook zijn de vrije tekstgedeelten van de Key Information Documents (KIDs) moeilijk leesbaar.

Vijf manieren om de transparantie te verbeteren

Urban stelt vijf relatief eenvoudige maatregelen voor: een centraal, machineleesbaar systeem voor KID-informatie; een gestandaardiseerde rapportage van performance-feekosten; een liquiditeitsindicator naast de bestaande risico-indicator; minimumeisen voor de leesbaarheid van KIDs; en een duidelijkere vermelding van de goedkoopste beschikbare share class van ieder fonds.

Urban: ‘ELTIFs kunnen particuliere beleggers toegang geven tot private markten, maar toegang alleen is niet voldoende. Als hoge kosten het extra rendement van private-marktbeleggingen opslokken, lopen beleggers het risico dat zij wel met beperkte liquiditeit te maken krijgen, maar daar geen betekenisvolle extra rendementspremie voor ontvangen.’

Universitair Hoofddocent
Meer informatie

Dit specifieke onderzoek van Daniel Urban wordt gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De policy brief “Democratizing Private Markets? A First Look at European Long-Term Investment Funds” is gepubliceerd in september 2026. 

Voor vragen kunt u contact opnemen met Ronald de Groot, Media & Public Relations Officer bij Erasmus School of Economics: rdegroot@ese.eur.nl, 06 53 641 846.

Gerelateerde content
Onderzoekers Amar Soebhag en Guido Baltussen van Erasmus School of Economics hebben de tweede prijs gewonnen in de Quantpedia Awards 2025.
Portrait of Amar Soebhag and Guido Baltussen

Vergelijk @count opleiding

  • @title

    • Tijdsduur: @duration
Vergelijk opleidingen