Hoe pakte de zogeheten ‘Gouden Eeuw’ uit voor de ‘gewone’ Hollander? En wat kunnen we nu leren van de economische ongelijkheid uit die tijd? Dat onderzocht historicus Bram Hilkens in zijn proefschrift “Living off the land? Land inequality in early modern central Holland, 1543–1708”, dat hij op 26 mei verdedigde. Aan de hand van landregisters reconstrueerde hij hoe grondbezit op het platteland veranderde tussen de zestiende en zeventiende eeuw en ontdekte dat ongelijkheid toenam, zowel tijdens als na een periode van economische bloei. In deze editie van ESHCC PhD Stories spraken we Hilkens over zijn bijzondere reis in het economische verleden en zijn kijk op ongelijkheid en de ‘Gouden Eeuw’.

Waar gaat je onderzoek precies over?
“Ik doe onderzoek naar de lange geschiedenis van de economische ongelijkheid, en in het bijzonder naar de relatie tussen economische groei en de verdeling van inkomen en vermogen. Om daar meer inzicht in te krijgen, keek ik naar grondbezit in Holland in de zestiende en zeventiende eeuw op het platteland, waar de meeste mensen in die tijd woonden. Dat is de periode waarin Holland een fase van onafgebroken economische groei doormaakte, grofweg tussen 1580 en 1650, wat we vaak, enigszins controversieel, de ‘Gouden Eeuw’ noemen. Door te kijken hoe de verdeling van land veranderde tijdens de economische bloei én toen de economie vervolgens stagneerde, kunnen we zien of en hoe ongelijkheid toenam.”
Wat was je centrale onderzoeksvraag, en waarom juist die?
“De drijvende vraag achter het onderzoek was: leidde Hollands ‘Gouden Eeuw’ tot grotere economische ongelijkheid? In de afgelopen decennia is de ‘Gouden Eeuw’ wat van haar gloed verloren - en terecht - want hoewel het Holland economisch voor de wind ging, was het een periode van serieuze koloniale uitbuiting en geweld. Maar we hebben geen goed zicht op hoe die periode van groei uitpakte voor de ‘gewone’ bevolking in Holland zelf. We weten dat de inkomensverdeling in de 18e eeuw ongelijker was dan in de 16e eeuw, maar hoe ontwikkelde economische ongelijkheid zich tijdens de ‘Gouden Eeuw’? Door ongelijkheid in grondbezit te bestuderen, kunnen we beter begrijpen hoe die groei uitpakte voor mensen op het platteland, en dus voor een groot deel van de bevolking.
Daarmee is de functie van mijn onderzoek tweeledig: enerzijds leert het ons meer over de relatie tussen economische groei en hoe de vruchten van die groei verdeeld werden in het verleden, anderzijds geeft het ons inzicht in sociale en economische verschillen in Holland in één van de meest bijzondere en controversiële periodes van de Nederlandse geschiedenis.”
Hoe heb je je onderzoek aangepakt?
“Ik heb gebruikgemaakt van zogenoemde ‘morgenboeken’: landregisters die het hoogheemraadschap van Rijnland bijhield voor belastingdoeleinden, vernoemd naar de ‘Rijnlandse morgen’, een oppervlaktemaat (ca. 0.85 hectare). In een nat gebied als Holland moest land beschermd worden tegen water. Iedereen droeg daaraan bij naar rato van zijn grondbezit. Dat principe noemen we ‘morgen morgensgelijk’, mooi hè?
Die morgenboeken zijn tussen ongeveer 1540 en 1848 door het hoogheemraadschap opgesteld en idealiter bestond er voor elk schrikkeljaar een samenvatting van alle landeigenaren, pachters en de omvang van hun grondbezit. Alle overgebleven boeken zijn inmiddels gedigitaliseerd. Omdat het te veel werk was om alle zestig dorpen in Rijnland te bestuderen, heb ik drie dorpen in de omgeving van Leiden geselecteerd en de periode 1543–1708 onderzocht.
Met deze data kon ik Gini-coëfficiënten berekenen. Dat is een maatstaf tussen 0 en 1 die aangeeft hoe ongelijk grondbezit verdeeld is, waarin 0.0 betekent dat iedereen precies evenveel grondbezit heeft en 1.0 betekent dat één iemand alle grond in bezit heeft. Zo kon ik in de tijd volgen of en wanneer verschillen in grondbezit toenamen.”
En wat heb je ontdekt?
“De belangrijkste bevinding uit mijn proefschrift is dat ongelijkheid in grondbezit zowel tijdens als na de ‘Gouden Eeuw’ toenam, maar op twee heel verschillende manieren.
Tijdens de periode van economische groei steeg de ongelijkheid niet doordat rijke eigenaren steeds meer land vergaarden. Integendeel: hun aandeel in het totale grondbezit nam juist af. De ongelijkheid nam vooral toe doordat er veel nieuwe, kleine grondbezitters bijkwamen aan de onderkant van de verdeling. Dat hing samen met sterke bevolkingsgroei, vooral door migratie, ook op het platteland. Veel nieuwgevormde huishoudens wisten een stukje land te bemachtigen. Dit vergrootte de verschillen gemiddeld genomen, maar niet op een manier die je zou verwachten.
Na het einde van de ‘Gouden Eeuw’, toen de economie stagneerde, zien we een ander patroon. Toen steeg ongelijkheid vooral doordat rijke eigenaren zich juist wél verrijken. Door een prijscrisis in de landbouw in de jaren 1650 en 1660 werd land minder waard, en kleine bezitters raakten sneller hun land kwijt. Daardoor nam het aandeel van het land in handen van een rijke aristocratie (die vooral bestond uit een nieuwe adel met aangekochte titels) sterk toe, net als dat van kerkelijke instellingen.
Kortom: de groei én de krimpperiode vergrootten ongelijkheid en had dus ook sterke sociale dimensies, die wel snel over het hoofd zien wanneer we alleen naar Gini-coëfficiënten kijken.”
Waarom zijn je bevindingen relevant voor het huidige debat over ongelijkheid, economische groei en onze kijk op het verleden?
“Mijn onderzoek laat twee belangrijke dingen zien. Als eerste dat economische groei ongelijkheid kan vergroten, maar economische krimp dat net zo goed kan, en soms zelfs nijpender. Dat betekent overigens niet dat we geen grenzen aan vermogensopbouw zouden moeten stellen. De disproportionele invloed die de rijken hebben op politieke besluitvorming en materiële omstandigheden is wereldwijd een serieus probleem, maar we kunnen niet verwachten dat die problemen zomaar opgelost zijn wanneer de economie stopt met groeien. Wanneer we dus bijvoorbeeld voorstellen om de economie niet meer te laten groeien om zo uitstoot te verminderen, moeten we er niet vanuit gaan dat hiermee ook direct het ongelijkheidsprobleem is opgelost. Rijke groepen zijn vaak beter in staat zich te beschermen tegen neergang. Dus, hoewel economische groei in zichzelf problemen met zich mee kan brengen, zijn er sterke positieve knock-on effects die we, denk ik, liever niet zouden willen ontdoen.
Ten tweede zegt het onderzoek iets over hoe we naar de ‘Gouden Eeuw’ kijken. Zoals ik eerder zei, zien we de ‘Gouden Eeuw’ niet meer zo rooskleurig in. Het meest voorkomende argument tegen het gebruik van de term ‘Gouden Eeuw’ voor de economische bloeiperiode is dat niet iedereen daar profijt van had en sommigen zelfs actief door geschaad werden om die bloei te waarborgen. Het klopt natuurlijk dat er veel schade berokkend is door Hollanders in deze tijd, met name in de vorm van koloniale uitbuiting en zelfs genocide, zoals op de Banda-eilanden in 1621. Dat is reden genoeg om sceptisch te zijn over de positieve associaties die we hebben bij de ‘Gouden Eeuw’.
Tegelijk lijkt het bronmateriaal erop te wijzen dat in Holland zelf de economische groei niet alleen een verhaal van de allerrijksten was. Ik word er daardoor nog weleens een optimist genoemd, zoals een commissielid het mooi verwoordde, ‘het goud van de “Gouden Eeuw” wil redden’, maar zo zie ik het zelf niet. Ik denk dat door beter en nauwkeuriger te begrijpen waar grote maatschappelijke veranderingen sociale gevolgen hebben, we beter kunnen zien waar we moeten ingrijpen en waar niet. Door onderzoek te doen naar economische ongelijkheid in deze periode kunnen we dus beter begrijpen welke zaken we uit deze periode afkeuren en op welke gronden.”
Heeft je onderzoek je kijk op het onderwerp veranderd?
“Ik denk dat waar ik eerder ongelijkheid als een op zichzelf staand probleem zag, ik nu beter na ben gaan denken over de manieren waarop ongelijkheid problematisch is. En dat zit hem wat mij betreft vooral in de uitkomsten die ongelijkheid produceert en niet in verschillen in inkomen of vermogen per se. Die verschillen kunnen ervoor zorgen dat een kleine groep disproportionele invloed heeft op wat er verandert en hoe snel dat verandert, zowel in politieke als materiële zin. Ik denk dat we als onderzoekers nog een lange weg te gaan hebben om ongelijkheid als probleem volledig te begrijpen. Ik had vóór het project echter gedacht dat ik ongelijkheid an sich vanzelf veel belangrijker zou gaan vinden, maar ik ben het probleem juist complexer gaan vinden. Dat is vervelend voor beleidssuggesties, maar is als onderzoeker ook wel spannend: het betekent dat er nog veel te ontdekken valt.”
Welke uitdagingen kwam je onderweg tegen?
“Ik begon dit promotietraject als cultuurhistoricus van het recente verleden. Mijn masterscriptie ging over representaties van rapper Kendrick Lamar. De stap naar sociaaleconomische geschiedenis van de vroegmoderne tijd was groot. Ik moest veel leren, zowel historisch, theoretisch, als methodologisch en dat ging niet altijd vanzelf. Ik ben een paar maanden voor uitwisseling in Lund in Zweden geweest, waar ze een grote afdeling economische geschiedenis hebben, en daar begonnen voor het eerst wat kwartjes te vallen. Daarna volgde een intensieve leercurve, bemoeilijkt door de coronapandemie, waardoor je veel op jezelf bent aangewezen.
Tijdens mijn onderzoek moest ik data leren verzamelen en oud schrift leren lezen. Dat leren ging vrij snel, maar het transcriberen van de bronnen kostte veel tijd. Ik heb zelfs een tijdje geprobeerd dat proces te automatiseren door middel van technologie. De landregisters waren echter zo verschillend over tijd, qua handschrift en samenstelling, dat het niet veel efficiënter was om technologie te gebruiken.Uiteindelijk heb ik dus alles handmatig gedaan, met wat hulp van mijn promotor en onderzoeksassistenten. Daarmee hebben we alsnog meer dan 40.000 observaties weten te verzamelen voor een tijdsperiode van 165 jaar. Daar ben ik niet ontevreden over.”
Wat heeft je geïnspireerd tijdens je promotietraject?
“Ik haalde inspiratie uit werken die over tijd gaan. Dat beïnvloedde wel hoe ik tijd en verandering ben gaan zien, dat is ook zeker wat we als historici doen. Haha, het klinkt misschien wat pretentieus, maar het is wel waar. In mijn tweede jaar las ik De Toverberg van Thomas Mann. Vaak weet je bij het lezen niet precies wat werkelijkheid en wat fantasie is en het boek laat zien dat tijd, hoewel het lineair is, we het niet altijd als lineair ervaren of begrijpen. Veel science fiction is daar ook goed in, zoals Dune. Zand is natuurlijk een uitstekende metafoor voor tijd. Of de Foundation-trilogie, dat letterlijk gaat over historici als sociale wetenschappers die met oneindige hoeveelheden data de toekomst kunnen voorspellen. Tijdens het schrijven van mijn proefschrift luisterde ik veel naar het muziekstuk Zauberberg van ambient-producer GAS (Wolfgang Voigt), geïnspireerd op het boek De Toverberg, toen mijn tijdsbesef ook niet altijd even lineair was.”
Wat hierna?
“Ik blijf de komende maanden nog even lesgeven op de Universiteit Utrecht. Verder zou ik graag blijven onderzoeken. Ik heb heel wat ideeën en ben zelfs al met wat nieuw onderzoek bezig. Ik hoop dat ik op termijn de mogelijkheid krijg om dat te uit te breiden.”
Als je een boodschap met de wereld mocht delen over je onderzoek, wat zou je dan zeggen?
“Economische ongelijkheid is een probleem van alle tijden en we moeten goed nadenken over de omstandigheden waaronder en de domeinen waarin die ongelijkheid zich manifesteert. Daarmee moeten we ons niet blindstaren op of één specifiek cijfer omhoog of omlaag gaat, maar moeten we juist veel aandacht schenken aan het contextualiseren van die cijfers, zowel kwalitatief als kwantitatief. Alleen daarmee kunnen we echt begrijpen hoe sociale verhoudingen zich over tijd hebben ontwikkeld.”
- Onderzoeker
