Staatscommissie: pas wetgeving ouderschap en gezag aan

Ieder kind heeft er belang bij dat zijn juridische positie zoveel als mogelijk vanaf zijn geboorte is geregeld. De vele verschillende gezinssituaties die vandaag de dag in Nederland voorkomen, maken het nodig dat wetgeving en beleid op het terrein van ouderschap en gezag worden aangepast.

Dat schrijft de Staatscommissie Herijking ouderschap in het rapport ‘Kind en ouders in de 21ste eeuw’, dat voorzitter Aleid Wolfsen vandaag heeft aangeboden aan minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie.

Juridisch ouderschap
Bij juridisch ouderschap gaat het om vragen als: van wie erft het kind, wiens naam kan het dragen en wiens nationaliteit kan het krijgen? Een juridische ouderschapsband met het kind biedt meer zekerheid dat ouders en kind ook tijdens het opgroeien van het kind met elkaar verbonden blijven.

Meer diverse gezinssituaties
Enkele tientallen jaren geleden was het juridisch ouderschap vrij duidelijk. Genetisch ouderschap en juridisch ouderschap vielen doorgaans samen: kinderen werden voornamelijk geboren uit het huwelijk van een man en een vrouw.

Vandaag de dag zijn er, meer dan vroeger, verschillende gezinssituaties: eenoudergezinnen, samengestelde gezinnen (fusiegezinnen), gezinnen van ouders van gelijk geslacht (regenbooggezinnen), meergeneratiegezinnen en meerdere personen die met elkaar een of meer kinderen verzorgen en opvoeden.

De Staatscommissie wil de belangen van kinderen in al dit soort gezinssituaties juridisch borgen. Daarom doet zij een aantal voorstellen voor aanpassing van de regelgeving. Zo wil zij onder meer een regeling instellen voor juridisch meerouderschap, meeroudergezag en een Nederlandse regeling voor draagmoederschap.

Maximaal vier juridische ouders
Een van de voorwaarden voor juridisch meerouderschap zou moeten zijn dat een kind maximaal vier juridische ouders kan hebben, die maximaal twee huishoudens vormen. Vóór de conceptie van het kind moeten de ouders aan de rechter een meerouderschapsovereenkomst overleggen, waarin afspraken zijn gemaakt over onder meer zorg- en opvoedingstaken, de hoofdverblijfplaats van het kind, de verdeling van de financiële lasten en de geslachtsnaam.  Voor het toekomstige kind zal een bijzondere curator worden benoemd, die de rechter moet adviseren over de zorgvuldigheid van het traject. Belangrijk is dat een duidelijk aanwijsbare band bestaat tussen alle ouders enerzijds en het kind anderzijds. Daarnaast adviseert de Staatscommissie dat meerdere personen het gezag over een kind kunnen uitoefenen (meerpersoonsgezag). Hierbij zou moeten worden aangesloten bij de voorwaarden die aan het juridisch meerouderschap worden gesteld.

Regeling voor draagmoederschap
Daarnaast is een wettelijke regeling nodig voor draagmoederschap. Draagmoederschap komt binnen Nederland vrij weinig voor, maar lijkt wereldwijd toe te nemen. Nederlandse wensouders richten zich op draagmoederschap in het buitenland door het gebrek aan mogelijkheden in Nederland. Hieraan zitten nadelen: in veel landen is de positie van de draagmoeder onvoldoende beschermd, is het onderscheid tussen draagmoederschap en kinderkoop niet altijd helder en dreigt het gevaar van kinderhandel.

De Staatscommissie wil dan ook dat er een wettelijke regeling komt, die garandeert dat het traject van draagmoederschap zorgvuldig verloopt, met respect voor de menselijke waardigheid van het kind en van de draagmoeder. De regeling moet het kind vanaf de geboorte rechtszekerheid bieden over ouders, nationaliteit, naam en gezag. Ook de draagmoeder en de wensouders krijgen zo zekerheid over hun positie en verantwoordelijkheden ten opzichte van het kind. Ook moet het kind zijn ontstaansgeschiedenis in de toekomst kunnen achterhalen. De draagmoeder heeft er belang bij dat zij wordt begeleid en onafhankelijk wordt voorgelicht over psychologische en juridische gevolgen van het draagmoederschap. Haar medische en financiële risico’s moeten goed zijn afgedekt. Zij neemt immers een grote verantwoordelijkheid op zich voor een kind dat zij in beginsel niet zelf zal verzorgen en opvoeden.

De Staatscommissie adviseert daarnaast om ook een regeling te maken voor de erkenning van de juridische positie van kinderen die uit een draagmoeder in het buitenland zijn geboren. Deze regeling moet dezelfde waarborgen voor draagmoeder en kind garanderen als de regeling in ons land.

Recht op informatie over ontstaansgeschiedenis
Bij regelingen voor juridisch meerouderschap en draagmoederschap is het niet altijd meer vanzelfsprekend dat een kind met zijn ouders genetisch verwant is. De informatie over zijn ontstaansgeschiedenis wordt dan ook belangrijker. Daarmee worden bedoeld de gegevens van de eventuele zaad-, eicel- of embryodonoren, de gegevens van de eventuele draagmoeder en de gegevens van de betrokken instanties die hebben bemiddeld of medische assistentie hebben verleend. Een kind heeft recht op die informatie.

Kernen van goed ouderschap
Het recht van een kind op inzicht in zijn ontstaansgeschiedenis heeft de Staatscommissie verwoord in een van de zeven kernen van goed ouderschap. Samen met het Kinderrechtenverdrag vormen die de maatstaf bij de voorstellen voor het aanpassen van wet en regelgeving. Het gaat om: (1) een onvoorwaardelijk persoonlijk commitment, (2) continuïteit in de opvoedingsrelatie, (3) verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn, (4) opvoeding tot zelfstandigheid in sociale en maatschappelijke participatie, (5) het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, de school en het publieke domein (de drie opvoedmilieus), (6) de vorming van de afstammingsidentiteit en (7) de zorg voor contact- en omgangsmogelijkheden van voor het kind belangrijke personen, onder wie de andere ouder.

Leden Staatscommissie
De leden van de Staatscommissie Herijking ouderschap zijn: de heer mr. A. Wolfsen, voorzitter; mevrouw prof. dr. I.D. de Beaufort, hoogleraar gezondheidsethiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam; mevrouw prof. dr. D.D.M. Braat, hoogleraar Obstetrie & Gynaecologie, alsmede Voortplantingsgeneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen; mevrouw mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam; de heer prof. dr. J. Hermanns, emeritus hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, thans adviseur jeugdbeleid in H&S Consult; de heer mr. dr. F. Ibili, gerechtsauditeur bij de Hoge Raad der Nederlanden; de heer mr. M.J.C. Koens, op het moment van benoeming senior raadsheer in het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, thans o.a. raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof Den Haag; de heer prof. mr. T. Liefaard, hoogleraar Kinderrechten aan de Universiteit Leiden; de heer prof. mr. A.J.M. Nuytinck, hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen-, familie- en erfrecht, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar burgerlijk recht, in het bijzonder personen- en familierecht, aan de Radboud Universiteit Nijmegen; en mevrouw dr. A. Poortman, universitair hoofddocent Sociologie aan de Universiteit Utrecht.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u bellen met Toon van Wijk, woordvoerder Staatscommissie, 06 2700 3401.