Toespraak Kees Ribbens

Toespraak Kees Ribbens

Op 3 mei hield Kees Ribbens (foto) in Spui25 een
lezing over de manier waarop de Tweede
Wereldoorlog vandaag herdacht en beleefd wordt. Dit gebeurde tijdens de bijeenkomst 'Voorbij de twee minuten stilte - Herdenken van de Tweede Wereldoorlog in 2016'. De integrale tekst van de sessie kan je hier nalezen.
 

Op 5 mei ligt de Tweede Wereldoorlog 71 jaar achter ons. En alleen al die simpele uitspraak is om meerdere redenen problematisch. En niet uitsluitend omdat die Tweede Wereldoorlog ver buiten Nederland niet in mei 1945 eindigde, maar pas in augustus van dat jaar.

Het venijn van de uitspraak “Overmorgen ligt de Tweede Wereldoorlog 71 jaar achter ons” zit, ook hier, in de staart; in dat “achter ons”. Want hebben we die oorlog daadwerkelijk achtergelaten in het verleden? En in hoeverre is er een “ons”, een eenduidig “wij”, een coherente gemeenschap die gezamenlijk de omgang met die oorlog een plek geeft?

Het is niet zo moeilijk om zulke vragen op te roepen, maar het is aanmerkelijk lastiger om deze vragen bevredigend te beantwoorden, laat staan om daar een blijvend antwoord op te geven. En blijkbaar bestaat daar wel behoefte aan, behoefte aan houvast hoe we die voortslepende oorlog moeten duiden. Want telkens als er de afgelopen jaren discussies opstaken in de aanloop naar de plechtigheden van de vierde en vijfde mei – over de vraag wie er herdacht dienden te worden, over de vraag wie daarbij geacht werd al dan niet aanwezig te zijn, en over de kwestie of het herdenken van de ene groep wel kon of mocht samenvallen met het stilstaan bij een andere groep – telkens als een dergelijk debat de kop opstak, was de verzuchting nooit ver weg dat deze discussie alsjeblieft zo snel mogelijk beslecht diende te worden. Dat komt enerzijds voort uit een zekere angst om gevoelens te kwetsen, gevoelens van met name overlevenden en nabestaanden. Maar behalve uit compassie komt die verzuchting anderzijds ook voort uit de wens om de herdenking van de Tweede Wereldoorlog onomstreden te houden, als relatief zeldzaam symbool van eensgezinde nationale verbondenheid.

Dat laatste is echter een lastige opgave anno 2016. Wie verlangt naar een uniforme manier om te herinneren, naar een vaststaande manier om stil te staan bij het verleden, is feitelijk op zoek naar een maatschappelijke holy grail. In een democratische samenleving zoals we die vandaag de dag kennen, waarin de omgang met het verleden gestalte krijgt door inbreng van velen, is het een illusie om te denken dat er sprake is van één collectief geschiedbeeld – als dat al ooit in eenduidige vorm bestaan heeft. Niet alleen is de Tweede Wereldoorlog een zeer veelomvattende gebeurtenis, ook de betekenissen die eraan worden gekoppeld, worden gekenmerkt door veel variatie.


Herdenken is een kruispunt waarop heden en verleden elkaar treffen, en veelal koppelen we dit ook nog eens aan een hoopvolle blik op de toekomst. Met het herdenken van de Tweede Wereldoorlog is dat niet anders. Herdenken in deze zin is vanouds een min of meer plechtig gebeuren, een officieel moment met bijpassende vormen en betekenissen die zijn uitgegroeid tot een traditie. In Nederland geven we daar bij uitstek (andere niet-religieuze herdenkingsdagen zijn hier immers schaars) gestalte aan op 4 en 5 mei. Formeel staan we op de avond van de vierde mei stil bij degenen die de Tweede Wereldoorlog - of andere oorlogen sindsdien - niet hebben overleefd. Op vijf mei vieren we jaarlijks de vrijheid die ons ten deel is gevallen én overdenken we de hedendaagse tekortkomingen en onvrijheden, in eigen land en elders ter wereld. Die opdeling in twee momenten suggereert dat 4 mei historisch is en 5 mei actueel maar een dergelijk onderscheid is in werkelijkheid bepaald niet zo overtuigend.

5 mei vindt zijn vertrekpunt in het verleden, in het feit dat de bevrijding van de nationaalsocialistische bezetter op die dag nationaal wordt gemarkeerd. Zolang deze dag bevrijdingsdag heet - en niet vrijheidsdag - verwijst het naar een specifiek historisch vertrekpunt, ook al valt daaruit de universele bevinding te destilleren dat vrijheid nooit vanzelfsprekend is en inspanningen vraagt. 5 mei is dus zowel actueel als historisch. Hetzelfde geldt voor 4 mei. Natuurlijk blikken we dan vooral terug op de Tweede Wereldoorlog, op de geschiedenis en de mensen van meer dan zeventig jaar geleden. Maar juist de doden - die we dan immers herdenken - spreken niet; wíj zijn het, als hedendaagse generaties – naast een uitstervende minderheid van overlevenden -, die in hun naam spreken. Om het maar even ongenuanceerd en oneerbiedig uit te drukken: we projecteren onze eigentijdse interpretaties op de personen en gebeurtenissen uit dat dramatische verleden.

En dat doen we op eigentijdse manieren. Niet voor niets was het Nationaal Comité 4 en 5 Mei vorig jaar toe aan een nieuwe toekomstvisie op herdenken, vieren en herinneren voor ‘de beleidsperiode 2016-2020’. De vermelding van deze jaartallen bij zo’n geformaliseerde toekomstvisie kunt u gerust opvatten als een houdbaarheidsdatum. Dit geeft aan dat ook de betrokken instituties doordrongen zijn van - wat Frank van Vree eerder al gemunt heeft als - de dynamiek van de herinnering, van de voortdurende veranderlijkheid van het terugblikken. En elk jaar opnieuw krijgt die veranderlijkheid vorm, soms op ingrijpende wijze, soms tamelijk oppervlakkig. Eén van de meest recente voorbeelden is de actie ‘tweebelminutenstilte.nl’, de oproep dit jaar om je mobiele telefoon tijdens de dodenherdenking op 4 mei om 20.00 uur twee minuten uit te zetten; een gezamenlijke initiatief van telecomproviders en het Nationaal Comité om zo te komen tot “Een stilte die spreekt”.

Dit is natuurlijk maar een futiel voorbeeld maar het laat zien dat ook nieuwe media een plek krijg in de historische cultuur, in de manier waarop we onze omgang met het verleden een rol geven in de eigentijdse samenleving. Bovendien maakt dit duidelijk dat de omgang niet eenduidig is. Sommigen vinden het gebruik van hun mobiel rond acht uur acceptabel, anderen zijn uitdrukkelijk een andere mening toegedaan. Er bestaat een diversiteit in benaderingen en zienswijzen die zich niet vanzelfsprekend in één mal laat gieten.

Daarmee raakt dit simpele voorbeeld ook aan andere zaken. Het herdenken van de oorlog is geen gebeurtenis die in een sociaal isolement plaatsvindt, het herdenken is een keuze. Herdenken moet als het ware om aandacht concurreren met andere onderwerpen, andere activiteiten, andere prioriteiten. Wonen we op 4 mei een plaatselijke herdenking bij of kijken we naar TV? Gaan we vooraf naar één van de Open Joodse Huizen of vinden we die 2 minuten stilte wel genoeg? Of laten we 4 mei voor wat het is en herdenken we liever in eigen Indische kring op 15 augustus? Of laten we het herdenken helemaal links liggen?

Het maken van keuzes wordt nog zichtbaarder als we het stilstaan bij de oorlog niet beperken tot de min of meer formele herdenkingsactiviteiten, als we een bredere blik hanteren om alle varianten van het herinneren en verbeelden van de oorlog, althans deze ene wereldwijde oorlog, in beeld te brengen. Dan belanden we bijvoorbeeld bij de manieren waarop Roger Cremers de oorlog letterlijk zichtbaar maakt, of liever gezegd bij de manieren waarop individuen en groepen in binnen- en buitenland hun interesse in die oorlog manifesteren, hoe zij die oorlog decennia na dato vaak doelbewust opzoeken en daarbij - veelal impliciet - een eigen antwoord formuleren op de vraag hoe dicht je die oorlog op de huid kunt zitten. Of deze belangstellenden, de re-enactors, de diggers of amateur-archeologen en de dagjesmensen, zich realiseren dat hun handelswijze door sommigen veeleer als onethisch, onjuist of anderszins onwenselijk zal worden beschouwd, is een kwestie van geheel andere orde maar daarmee niet minder relevant.

In hoeverre zijn de gevestigde hoeders van de geschiedenis, elk vertrouwd met hun geïnstitutionaliseerde werkwijze, zich ervan bewust dat anderen zich op een geheel andere wijze ontfermen over het oorlogsverleden, een manier die voor hen niet minder vanzelfsprekend en bevredigend is? Realiseren de organisatoren van herdenkingen zich voldoende dat re-enactors – degenen die zich zo nu en dan uitdossen als geallieerden of als Wehrmacht-soldaten – menen het verleden zo authentiek mogelijk tot leven te wekken? Beseffen historici zich steeds dat toeristen eveneens trachten zich het verleden eigen te maken? Zijn oprichters van monumenten ervan doordrongen dat ook gamers zich onderdompelen in een zekere presentatie van oorlogsgebeurtenissen? En weten museumprofessionals dat hun beoogde bezoekers vertrouwd zijn met het museale concept van experience juist omdat zij in theatervoorstellingen met huid en haar in de voorstelling worden betrokken?

Het antwoord op al deze vragen is veelal tweeledig. Het is tegelijkertijd ja én nee. Eigenlijk kan iedereen toch weten dat de Tweede Wereldoorlog zo alomtegenwoordig is in onze samenleving dat de herinnering aan deze oorlog in tal van activiteiten, media en verbeeldingen voortdurend opduikt. Uiteenlopende aspecten van de oorlog – variërend van militaire ontwikkelingen tot de Jodenvervolging, van de gebeurtenissen tijdens de Hongerwinter tot de atoombom op Hiroshima, van helden tot schurken, en van individuele dorpsgenoten tot anonieme groepen slachtoffers – al deze aspecten duiken niet alleen op op afgebakende en doelbewuste momenten tijdens plechtige herdenkingen of in doorwrochte academische studies, maar evenzeer tijdens toeristische trips, bij het lezen van stripverhalen, spelend met games of grasduinend tussen oude foto’s.

We kunnen daar gemakkelijk schouderophalend aan voorbijgaan. Want mist die alledaagse historische cultuur immers niet de gewichtigheid van een officiële herdenking? En de historische (of quasi-historische) invulling van de populaire cultuur hoeven we toch niet serieus te nemen aangezien een wetenschappelijke aanpak ontbreekt? Dat mag vaak zo wezen, maar dat zijn niet voor iedereen steekhoudende argumenten die de betekenis van eigentijdse oorlogsvertolkingen automatisch onderuithalen. Integendeel. De beschikbaarheid en soms grote populariteit van diverse hedendaagse populaire vertolkingen wijst er juist op dat zulke vormen aanspreken, dat ze daadwerkelijk een publiek bedienen.

De aanhoudende populariteit van Soldaat van Oranje, een musical die inmiddels langer loopt dan de Duitse bezetting heeft geduurd, laat zien dat bezoekers zich graag lijken onder te dompelen in een gedramatiseerde en gepolariseerde vertolking van het oorlogsverleden, een vertolking die hen het gevoel geeft het verleden dicht te naderen. Wie computergames over bijvoorbeeld Market Garden speelt, toont zich vatbaar voor de suggestie dat hij of zij – de meeste oorlogsgamers blijken toch vooral jonge mannen – de loop van het verleden kan beïnvloeden door zijn individuele handelingen. Wie op bezoek gaat in het Anne Frank Huis tracht in deze lieu de mémoire een concreter voorstelbaar beeld te krijgen van de omstandigheden waarin Anne en de andere onderduikers verkeerden voordat hun lot door verraad bezegeld werd.

Tegelijkertijd: wie bijvoorbeeld een escape room bezoekt, waarvan er in Nederland diverse gewijd zijn aan een thema uit de Tweede Wereldoorlog, zal vaak niet de intentie hebben wijzer te worden over de strekking en details van die periode. Dat zal vermoedelijk ook gelden voor tal van bezoekers aan de recente Anne Frank-escape room in het Brabantse Valkenswaard. De oorlog is uiteindelijk ook vermaak, het is daarbij ook business, en soms big business. Dat is ongetwijfeld wrang maar ook menselijk. Die ontwikkeling is niet nieuw – al in 1945 kende de oorlog zijn souvenirjagers – maar het fenomeen is wel lange tijd genegeerd.

Dat de oorlog onderwerp is geworden van vermaak en recreatie, een ontwikkeling met tal van gradaties, vraagt niet om verkettering maar wel om bespiegeling. Want enerzijds kan het ons helpen om vast te stellen of we de oorlog daadwerkelijk op een afstand hebben geplaatst; of we die Tweede Wereldoorlog vanuit zeker perspectief dan toch daadwerkelijk achter ons hebben weten te laten. Een eenduidig antwoord daarop lijkt overigens onwaarschijnlijk. Want waar we het ene moment kunnen lachen om ‘Allo, ‘Allo of om Adolf die ‘wieder da ist’, toont een Holocaust-film als Son of Saul ons het volgende moment iets dat lachen en vergeten lijkt uit te bannen. En daar komt dan nog het besef bovenop dat dergelijke vertolkingen een nogal gemengde ontvangst kenden van groepen die zeer uiteenlopende reageerden.

Anderzijds doen we er verstandig aan ons te realiseren dat het plechtige herdenken en de meer lichtvoetige omgang met het verleden niet steeds gescheiden trajecten zijn. Een theatervoorstelling als Anne kent op dagen als 4 en 5 mei een aangepast programma, en de plechtigheid op de Dam morgenavond wordt gevolgd door tal van theaterprogramma’s. Steeds vaker worden populaire media als musicals, stripverhalen en games ingezet voor educatieve doeleinden en naderen ze daarmee het domein van het herdenken. Bovendien dringt het speelse karakter dat wij zozeer associëren met de populaire verbeeldingen van de oorlog steeds vaker door in monumenten. In recente jaren zijn er in Nederland verspreid over het land een aantal monumenten gewijd aan de Tweede Wereldoorlog die nadrukkelijk zijn vormgegeven als speeltoestel. Daarvan zijn er voorbeelden te vinden in onder meer Hendrik Ido Ambacht, Groesbeek, Middelburg en Schijndel. Het voert te ver om direct te spreken van een heuse trend, maar het wekt wel de indruk dat gezocht wordt naar een nieuw populair draagvlak voor het voorheen meer formele, afstandelijke herdenken. Een ander voorbeeld waarin het monumentale overlapt met het speelse element is het huidige initiatief van de makers van de musical Soldaat van Oranje. Zij roepen de toeschouwers, of eigenlijk de hele bevolking, op om voorwerpen in te zenden om letterlijk een leeg monument in de vorm van de letter V – het logo van deze productie – te vullen met verhalen ‘Zodat de herinneringen levend blijven’. Wie dat wil kan een bijdrage leveren om zo zijn particuliere beeld publiek te maken.

“Kom vanavond met verhalen” heet de toekomstvisie van het Nationaal Comité waar ik eerder over sprak. En die verhalen circuleren in ruime mate en zullen dat voorlopig ook ongetwijfeld blijven doen. Lang niet al die verhalen komen aan bod op en rond de plechtigheden van 4 en 5 mei. Maar in een samenleving die zoveel waarde hecht aan het levend houden van de Tweede Wereldoorlog – als belangrijkste, misschien wel enige focus en fascinatie van wat je collectieve herinnering zou kunnen noemen – blijft die nationale herdenking een belangrijk podium. Frictie over wie en wat daar genoemd, getoond en vertegenwoordigd worden zal ook de komende jaren niet verdwijnen. De waardering die deze plechtigheden nog altijd genieten, hangt sterk samen met het idee dat hier jaarlijks een gezamenlijk gevoel van de gehele bevolking tot uiting komt.

Bij die opvattingen vallen wel enkele kanttekeningen te plaatsen. De emotionele en ook politieke lading die de dominante interpretatie van de Tweede Wereldoorlog kenmerkt wordt niet door iedereen gedeeld, terwijl die interpretatie – de actualiteit van het Nie Wieder zogezegd - ook niet op elk moment even ernstig wordt genomen. Binnen welke bandbreedte dit precies fluctueert en in hoeverre de luchtige, meer vrijblijvende omgang met de oorlog doordringt tot de zware maatschappelijke benadering van de oorlogsgeschiedenis is iets waarop we vooralsnog betrekkelijk weinig zicht hebben. Maar het verdient alleszins onze aandacht.

Zo is de populaire omgang vertrouwder met allerlei verbeeldingen die ver buiten de landsgrenzen tot stand komen – denk aan Schindler’s List of het Britse Imperial War Museum – dan de toch nog altijd sterk nationaal ingekaderde herdenkingen van wat officieel een Wereldooorlog was. En het vertellen van vooral individuele verhalen mag betrekkelijk nieuw zijn in de wereld van het herdenken, in de wereld van de populaire cultuur is dat veeleer een basisprincipe.

Uiteraard is de populaire omgang met het oorlogsverleden niet onproblematisch. En dan nog niet eens zozeer omdat de veelomvattendheid aan (re)presentaties de oorlog ergens ongrijpbaar (en wellicht onbestuurbaar) maakt. Maar een veelheid aan verbeeldingen leidt niet automatisch tot een diversiteit in benaderingen en daarmee tot een verfrissende verbreding van onze blik. Evenmin leidt de vermenging van feit en fictie niet als vanzelfsprekend tot een meer gedegen kennis van de historie. Toch kan een veelvoud aan aansprekende vertolkingen, mits enigszins kritisch geconsumeerd, er aan bijdragen om empathie te stimuleren en om vragen te stellen bij datgene wat een formele herdenking onbedoeld kan uitstralen en onderstrepen: een schijnbaar dominante en uniforme interpretatie van een in werkelijkheid zeer complexe geschiedenis. Als wij een beter begrip willen krijgen van wat én de oorlog én het herinneren vandaag de dag betekenen, volstaat het niet om ons jaarlijks in twee minuten stilte te hullen. Met die twee minuten stilte is niets mis, maar we moeten daarnaast ook de, soms tegenstrijdige, realiteit onder ogen zien dat vorm en inhoud van oorlogsverbeeldingen voortdurend aan verandering.

(uitgesproken op 3 mei 2016)

 

Eben-Emael, België, 2010. Om de nederlaag bij de Vesting Eben-Emael van mei 1940 te herdenken, valt een groep Belgische re-enactors de ruïnen van de vesting, die helemaal bedekt is met koolzaad, binnen. Foto: Roger Cremers.