Testimonials

Testimonials

225 resultaten

  • Spotlight Interview | Dr. Robby Roks

    Dr. Robby Roks - Universitair docent Criminologie

    Ook Nederland kent een gewelddadig straatleven
    Robby Roks
    Ook Nederland kent een gewelddadig straatleven

    ‘Voor mijn gevoel ben ik mijn hele leven al verbonden aan Erasmus School of Law. In 2001 ben ik hier een studie Nederlands recht begonnen. Al snel merkte ik dat ik een verkeerde keuze had gemaakt, want ik kon er mijn ei niet kwijt. Maar halverwege dat jaar begon ik met het keuzevak ‘Inleiding tot de Criminologie’ en toen gebeurde er iets met me. Dat was een lichamelijk iets, hoe gek dat ook klinkt. De lesstof kwam echt tot leven, dat was heel bijzonder om mee te maken. Ik heb er toen voor gezorgd dat ik in het eerste jaar mijn propedeuse haalde, waarna ik overstapte naar Criminologie. En daar viel alles op zijn plek.’

    ‘Criminaliteit is een fascinerend iets. Ik denk dat alle mensen het een interessant maatschappelijk fenomeen vinden. Of het nou om het volgen van het nieuws gaat, of om de films en series die we kijken: we zijn erdoor geboeid. Aan de ene kant stoot het ons af en vinden we het eng, maar tegelijkertijd willen we er graag meer over weten. We willen graag begrijpen waarom criminelen, zelfs de grootste psychopathische seriemoordenaars, doen wat ze doen.’

    ‘Het mooie van Criminologie is dat het een wetenschap is die inzichten vanuit allerlei disciplines gebruikt en vanuit die bredere disciplines naar concrete vraagstukken probeert te kijken. Als we kijken naar de methoden van onderzoek, dan had Criminologie ook onderdeel kunnen van FWS kunnen zijn. Aan de andere kant denk ik dat het ontzettend belangrijk is dat Criminologie binnen de rechtenfaculteit opereert. Elke criminele daad heeft immers juridische gevolgen. Maar als criminologen problematiseren we ook de sociale constructie ‘criminaliteit’. Criminologen proberen verder te kijken dan het gedrag dat strafbaar is gesteld is de wet.

    Straatleven

    ‘Voor mijn proefschrift ben ik een paar jaar opgetrokken met de Haagse Rollin’ 200 Crips, een gang die geënt is op de gelijknamige groepen uit Amerika. Ik was altijd al geïnteresseerd in het straatleven, vooral dankzij mijn voorliefde voor hip-hopmuziek. Het lukte me om in contact te komen met iemand die diep in die criminele wereld zat en daar met mij over wilde praten. Dit gaf mij de kans om langere tijd aan ‘de andere kant van het spoor’ onderzoek te doen. Het veldwerk was niet zozeer gevaarlijk, maar soms wel spannend. Je hebt toch te maken met (jonge)mannen die een strafblad hebben en regelmatig met de politie in aanraking komen. Sommigen van hen zijn bovendien vuurwapengevaarlijk.’

    ‘De maatschappij heeft vaak het beeld dat de crimineel anders in elkaar zit dat wij. Dat het per definitie mensen zijn aan wie een steekje los zit. Die voorbeelden zijn er zeker, criminelen kunnen net zo goed een goede vader of een trouwe vriend zijn. Het zijn in wezen mensen die op bepaalde punten van hun leven ofwel ‘verkeerde’ keuzes hebben gemaakt, ofwel door omgang met anderen bepaalde kansen en mogelijkheden voor zichzelf hebben geblokkeerd. Tegelijkertijd moeten we deze bendes zeker serieus nemen. Het is wellicht een poldervariant van de Amerikaanse gangs, maar de leden zijn stuk voor stuk mannen die zich bezig houden met criminaliteit en hebben vastgezeten voor zware geweldsdelicten. Het zou dus verkeerd zijn om te denken dat in Nederland geen gewelddadig straatleven bestaat.’

    Objectief blijven

    ‘Binnen de wetenschappelijke wereld zag men dat mijn promotieonderzoek een mediageniek onderwerp is. Dat vindt men niet zozeer verdacht, maar ik vroeg me wel af of mijn onderzoek serieus genomen werd. Wellicht twijfelde men of je bij zo’n onderzoek wel in staat bent om voldoende afstand te bewaren en objectief kunt blijven. En dat is in potentie ook een problematisch punt. Je moet inderdaad oppassen met dit soort onderzoek en vermijden dat je een verlengstuk wordt van zo’n groep, dat je je laat meesleuren. In het Engels noemen ze dat heel mooi Going Native. Maar ik heb de afstand altijd weten te bewaren. Ik ben sowieso niet geschikt voor die manier van leven, daar ben ik gewoon veel te laf voor.’

    ‘Natuurlijk was ik me bewust van het feit dat zo’n promotieonderwerp op interesse vanuit de media kan rekenen. Je krijgt dus al snel aandacht, maar dat is niet per sé positief. Je probeert als wetenschapper natuurlijk een genuanceerd beeld neer te zetten, maar tijdens mijn contact met de media merk je dat journalisten toch vaak voor sensatie gaan. Het hoe en wat vonden ze interessant, maar aan mijn bevindingen werd relatief weinig aandacht besteed.

    De buitenwereld

    ‘Ik ben van mening dat we onze kennis meer met de buitenwereld moeten delen. Valorisatie is wat mij betreft ontzettend belangrijk. Het is niet altijd even gemakkelijk, maar het hoort er gewoon bij. We worden betaald van belastinggeld, dat schept bepaalde verplichtingen. Daarnaast vind ik dat wetenschap niet alleen op de wetenschappelijke wereld gericht moet zijn. Het moet je doel zijn om een iets breder publiek te trekken. Contact met de media is daar een onderdeel van. Begrijp me niet verkeerd: ik vind niet dat we altijd maar overal op moeten reageren. Een onderwerp moet binnen je eigen veld van expertise liggen, anders moet je het misschien gewoon laten gaan. Maar ik zie dus zeker meerwaarde in contact met de buitenwereld. En laten we niet vergeten dat deze contacten weer heel veel kunnen opleveren. Wanneer je bijvoorbeeld in de media verschijnt, zullen potentiële opdrachtgevers jou en jouw werk eerder weten te vinden. Den Haag en Brussel krijgen dan vanzelf meer oog voor ons werk, zogezegd. Dat moeten we niet vergeten.’

    Spannende plek

    ‘Erasmus School of Law is een ontzettend vooruitstrevende en innovatieve juridische faculteit. Dat merkte ik al toen ik mijn promotievoorstel indiende. Prof. Staring, mijn promotor, was heel erg enthousiast. Hetzelfde gold trouwens voor prof. Van Swaaningen. Ze vonden het prachtig dat ik dit ging doen en ze hebben me heel goed begeleid.’

    Het is ook ontzettend leuk om te werken bij een faculteit die in het hart van de samenleving staat. Ons werk is eigenlijk altijd actueel. Ik vind het dan ook echt een voorrecht om bij Erasmus School of Law te mogen werken. We zitten hier in Rotterdam op een heel spannende plek, waar van alles gebeurt. Erasmus School of Law is een ontzettend dynamische omgeving met een grote groep gemotiveerde groep wetenschappers. Ik heb bovendien het gevoel dat veel collega’s van Erasmus School of Law zich steeds actiever mengen in het publieke debat. Daar ben ik enorm trots op.

    Personalia
    Naam: dr. Robby Roks
    Functie: universitair docent Criminologie
    Proefschrift: 'In de h200d: een eigentijdse etnografie over de inbedding van criminaliteit en identiteit'
    Expertise: gangs, straatcultuur, etnografisch onderzoek
    Huidig onderzoek: Monitor Georganiseerde Criminaliteit in Nederland. Een doorlopend onderzoeksproject naar georganiseerde criminaliteit in Nederland op basis van opsporingsonderzoeken van politie en justitie.

    Robby Roks
  • Spotlight Interview | Prof. mr. dr. Xandra Kramer

    Prof. mr. dr. Xandra Kramer - Hoogleraar Internationaal Privaatrecht

    Procesrecht is de ruggengraat van de rechtstaat
    Xandra Kramer voor In the Spotlight
    Procesrecht is de ruggengraat van de rechtstaat

    ‘Tijdens mijn studietijd aan de Universiteit Leiden vond ik privaatrecht leuk – en dan vooral de internationale kant. Internationaal recht komt relatief laat aan bod in de studie, ook nu nog. Het is een betrekkelijk nieuw vakgebied en is nog steeds voor veel studenten een eyeopener. Jarenlang had ik vanuit het Nederlands recht gedacht en ineens kwam de realisatie dat het recht in andere landen totaal anders werkt. En dat je daar onderling afspraken over moet maken; dat het echt puzzels zijn die je moet oplossen. Neem een simpel voorbeeld als een Nederlander die met een Belgische trouwt, die vervolgens een kind krijgen en naar Argentinië verhuizen. Hoe ga je dan om met de verschillende rechtsrelaties?’

    ‘Ik heb een goede scriptie geschreven aan de Universiteit Leiden en ben toen gevraagd om te promoveren: leuk en ook wel spannend natuurlijk. Ik heb daar gemerkt dat onderzoek doen bij me past: het ontdekken en schrijven liggen me goed. Ik vind het fijn om de diepte in te gaan, vluchtigheid trekt mij minder. Toen ik een vacature zag aan de Erasmus Universiteit, greep ik mijn kans. Aangezien mijn vakgebied wat minder mainstream is, komen dit soort mogelijkheden niet met grote regelmaat voorbij. Het is daardoor wel nodig om je positie te bevechten, en ik heb dat gedaan door het aanvragen van grants. Dat is ook iets waar ik energie uit haal; niet in de zin dat je anderen moet aftroeven, maar wel het overtuigen van mensen dat je een goed en belangrijk idee hebt. En het is fantastisch en bijzonder wanneer een grant daadwerkelijk toegekend wordt. Mijn eerste grant, een EUR fellowship, was een goede start. Maar vooral de tweede, de Vidi grant, is speciaal voor mij omdat hij zo richtinggevend is geweest voor mijn carrièrepad. Ik ben natuurlijk ook ontzettend blij met de ERC Consolidator Grant die ik toegekend heb gekregen voor mijn onderzoek “Building EU civil justice: challenges of procedural innovations bridging access to justice”, een onderwerp dat me na aan het hart ligt.’

    Building EU Civil Justice

    ‘Het onderzoek dat dankzij de ERC Grant op 1 september jaar 2016 van start gaat, is erop gericht om bij te dragen aan een verbetering van de toegang tot het recht in Europa. Waar het bij toegang tot het recht om gaat, is hoe je rechten kunt afdwingen. Ik zie procesrecht daarom als de ruggengraat van de rechtsstaat; rechten en plichten hebben natuurlijk alleen maar zin als die ook kunnen worden afgedwongen en als dat op een eerlijke manier gebeurt, waarbij er gelijkheid tussen partijen is.’

    Omdat we allemaal belasting betalen voor onze rechtsorde, is het daarbij belangrijk om procedures efficiënt te laten verlopen. Aan de andere kant moet er goede rechtsbescherming zijn, wat geld kost. Die spanning tussen efficiency en kwaliteit van rechtspraak fascineert me. Vooral in een internationale context is dit een boeiend onderwerp: er zijn steeds meer Europese procedures en regels, maar civiele procedures zijn nog steeds vooral nationaal geregeld. In mijn onderzoek komen daarom vragen aan bod als wat de beste manieren zijn om toegang tot het recht in Europa te verbeteren, en welke nieuwe ontwikkelingen er plaatsvinden. Voor een deel kunnen die goed zijn, maar er is een kans dat sommige veranderingen een gevaar opleveren voor de kwaliteit van het recht en de rechtspraak.

    Zonder advocaat

    Een van de vier deelprojecten van het onderzoek gaat over het recht om te procederen zonder advocaat. Je ziet dat dit in veel landen – ook in Nederland – steeds meer wordt toegestaan. Het maakt het aangaan van procedures makkelijker en goedkoper: je hoeft immers de kosten van een advocaat niet te betalen. Maar uit grootschalig onderzoek in Amerika blijkt dat de kans om een procedure te winnen flink afneemt wanneer je geen advocaat in de arm neemt. Dat kan natuurlijk verschillende oorzaken hebben: een advocaat kan bijvoorbeeld cliënten bij minder kansrijke zaken afraden om een procedure aan te spannen, waardoor deze niet voor de rechter komen. Maar het kan ook zijn dat mensen zonder advocaat niet goed in staat zijn om hun rechten zelf te verdedigen: dat ze de verkeerde toon aanslaan of de rechtsregels niet goed kennen. Er ontstaat dan een spanning: aan de ene kant lijkt het procederen zonder advocaat efficiënter en goedkoper, maar aan de andere kant kan het ten koste gaan van de kwaliteit van de rechtspraak.

    Er is al aardig wat kwantitatief onderzoek op dit punt gedaan. Waar ik juist naar wil kijken is hoe dit soort procedures precies verlopen en hoe het de dynamiek tussen partijen verandert. Wat de ervaringen zijn van de verschillende betrokkenen, en hoe dit de rechtsspraak verandert. We gaan dus ook rechtszaken bijwonen, observeren wat er gebeurt en we interviewen de verschillende betrokkenen. Mocht uit het onderzoek blijken dat er inderdaad een flinke spanning ontstaat tussen efficiency en kwaliteit, dan kunnen we hier mogelijk verandering in brengen door aan bepaalde knoppen te draaien, of naar een andere vorm van rechtshulp te zoeken – zodat je zowel de winst in efficiency hebt als voldoende rechtsbescherming voor de betrokken partijen.’

    Belang Europa

    Veel mensen zijn zich waarschijnlijk niet zo bewust van welke rol de Europese Unie in ons dagelijks leven speelt; er is ook veel Eurocynisme. Ik denk dat Europa wel degelijk belangrijk voor ons is; neem alleen al kleine zaken als het doen van een online bestelling. Vaak zitten er buitenlandse bedrijven achter websites waar we aankopen doen, waardoor de rechtsregels die gelden heel anders kunnen zijn. In Nederland hebben we een redelijk goede consumentenbescherming, maar dat is niet in elk land zo. Mocht er iets mis gaan met je bestelling, dan is het fijn als je weet waar je terecht kan, en dat je je recht kan afdwingen.’

    ‘Als er iets is wat ik mensen uiteindelijk mee zou willen geven, is het: procedure matters! Een echte rechtsstaat heeft goede procesregels. Iedereen kan in potentie in een procedure betrokken raken – als eiser of als verweerder. Dat je dan een vangnet hebt, naar de rechter kunt stappen en daar eerlijk wordt behandeld - dat je het recht hebt gehoord te worden, recht hebt op wederhoor en het recht hebt om in hoger beroep te gaan - is de basis van je rechtsstaat.’

    Erasmus School of Law

    ‘Inmiddels werk ik 15 jaar aan Erasmus School of Law, eerst als universitair docent en hoofddocent en sinds 2011 als hoogleraar. Erasmus School of Law kenmerkt zich door haar oriëntatie op business: we zijn meer gericht op het bedrijfsleven en we kijken naar maatschappelijke problemen, het recht in de sociale context.

    Ik heb hier verder binnen het onderwijs en onderzoek altijd het gevoel dat ik met nieuwe ideeën kan komen; dat er open wordt gestaan voor andere denkrichtingen. De lijnen zijn hier vrij kort en het is niet zo hiërarchisch georganiseerd, dus als je hier iets wilt, kan dat vaak wel. Dat wat meer informelere en die doelgerichtheid bevallen me goed. Ik heb daardoor ruimte om me ook met andere zaken bezig te houden, zoals met diversiteit; iets wat ik heel belangrijk vind en weer te maken heeft met het idee van gelijkheid van kansen. Ik geloof daarbij echt dat er in een diverse organisatie meer creatieve processen ontstaan, dat we daardoor nieuwe perspectieven krijgen. Alleen samen komen we verder en kunnen we buiten de gebaande paden treden!

    Personalia

    Naam: Xandra Kramer
    Functie: Hoogleraar Internationaal Privaatrecht
    Proefschrift: 'The Dutch Kort Geding Procedure in an International Perspective: A Comparative View on Provisional Measures and Private International Law'
    Expertise: Internationaal Privaatrecht
    Huidig onderzoek: ‘Building EU civil justice: challenges of procedural innovations bridging access to justice’.

    Xandra Kramer voor In the Spotlight
  • Spotlight Interview | Dr. Alessandra Arcuri

    Dr. Alessandra Arcuri - Associate professor International and European Law

    Being a researcher requires determination
    Aleksandra Arcuri
    Being a researcher requires determination

    ‘I originally come from Italy and I studied law at La Sapienza University in Rome. I have to admit, I have not always known that Law was going to be my path. Looking back at the winding road of my career, I feel that I have slowly drifted and followed the gulfs of analytical currents; like a floating boat if you will. La Sapienza is a big university – I often felt like a small particle in an ocean of students. Although I was serious about my studies there, I felt something was lacking, as the teaching method was highly dogmatic. That was why I decided to do a LL.M. at Utrecht University, which turned out to be the cause of a big revolution in my life. Instead of learning things by heart, we were asked to critically think and analyze; it was a positive shock. That was the moment I really started to enjoy studying law. Today, I am convinced that law is one of the most exciting fields to study and I try to transmit this to my students. All in all I love this job.’

    ‘In 1999, I got the opportunity to do a PhD at Erasmus School of Law. My thesis was about the governance of catastrophic risks, created by human activity. Examples are the disastrous accident at Chernobyl Nuclear Power Plant or the 1984 factory explosion in Bhopal, India. My PhD was at the intersection of law and economics. At this crossroads, you try to think of the law as a system that gives incentives to people to behave in one way or another. If, for instance, you know that you are going to be liable if you are going to act in a certain way, then you will consider the external costs of these activities. If there is no liability, you might as well neglect those costs. That is how the law and economics perspective conceptualizes certain legal institutions; it can help to create tools to control and organize society in such a way that the costs of certain activities are taken into account by the actor, and steers action into another direction.’

    ‘The research I am conducting now has shifted towards the field of International Economic Law, which is extremely interesting, as it is key to understanding our ‘globalized’ society and it is at the forefront of the most important challenges of the 21st century. I study international agreements that are instrumental for the integration of markets at the global scale and at the same time have to deal with issues such as environmental and food regulation.  The more I engage with this field of law, the more I like it.’

    Chlorinated chicken

    ‘When talking about international economic law, we are a talking about organizations like the World Trade Organization (WTO), or treatises like the Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) and the Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) between Europe and Canada. Think for example of the debates on food safety that these partnerships inspired. A well-known and quite recent case, is that of chlorinated chicken. In America, chicken meat is bathed in chlorine in order to kill bacteria. An effect of this bath might be though, that it can cause people to fall ill.  People were afraid that American rules and regulations would substitute European rules and regulations, at the cost of our food safety. It is exactly in these types of cases my colleagues and I can help with our research. We can show the reasons behind the worries people have, and to what extend they are founded. It helps to pinpoint what is at stake and where the problems lie – it  adds a bit of precision to a debate that otherwise could go in any direction.’

    Globalization, Science and Democracy

    ‘What is important to realize is that for globalization to work, we need to recognize each other’s safety standards and regulations. Many international agreements have thus resorted to science to settle conflicts about different regulations. This leads to an important part of my research focusing on the intersection of law and science on a global level. In our societies there are technical bodies, rather unknown, that can be politically very important. For example, there was a debate about the world’s most used pesticide: glyphosite (commercialized as Round-up). An international body that consists of scientists and that is related to the World Health Organization (WHO), stated that this pesticide can cause cancer while other bodies, such as the European Food and Safety Authority, denied the claim. My research tries to look at these bodies, that are pretty obscure, but that do have an influence on the decision making. In this context, I look at issues like: what is the type of authority these bodies exercise? What they do is actually never binding, but in the end, lawyers tend to follow these scientific bodies. So these bodies have authority - but how are they accountable? Can they respond in a court? How are conflicts of interest regulated?’

    Accurate insights

    ‘A closely related issue is to know who has a voice and who does not. Who has the legal rights to challenge certain regulations and who has not. Who is marginalized and who is empowered in decision making processes where technical knowledge is necessary.  In the end, a lot is about how we think and make decisions, and indirectly also about what we want as a society – what do we think is important? Who gains and who loses? Of course, science cannot give you the answer whether you want to live in a certain type of society or in another – but science can help you to get an accurate insights on the problems we are facing. Legal institutions are important to design decision making processes that can be simultaneously science-based and inclusive, taking into the interests of different constituencies, particularly of the most vulnerable.’

    ‘By contributing – even in a small way – to the body of knowledge about such legal institutions, I feel I am doing something worthwhile. My research is nothing more than a grain of sand– but we know that all these grains of sand can grind a sophisticated machine to a halt - and establish change. Even the marginal changes in our field matter.  I think it is important to have a sense of contributing to a common project – what I am able to do, I can only do because there are so many brilliant minds around me, both here at the Erasmus School of Law and among my international colleagues. We should cherish this ethic of collective contribution to a body of knowledge that is not one-man made.’

    Responsibility and determination

    ‘This job comes with responsibilities and with privileges. It is a true privilege to be surrounded by great intellectuals and to be able to study for all your working life. If you are considering an academic career, you should be aware of this privilege.  However, being a researcher also requires determination – the academia is a competitive world. That is why it is important not only to try to do what you love, but never forget to love what you do. You need to do something you love, as being a researcher is not something that stops when you leave your office. And doing research is not always exciting, or a piece of cake. There are also those days when a blank page is staring at you. When you fail (e.g. because an article you wrote is not the way you like, because a subsidy you applied for has not been awarded, etc.), and you feel miserable. It is then you need to make an effort and love what you do. In the end, when you have found something that you love to do, it will turn out that it is absolutely worth fighting for.’

    ‘On this note, it is worth mentioning that your working environment can be extremely important in this trajectory. What I think is unique about Erasmus School of Law, is the openness to change and to new ideas. You are not limited when you have a good idea – it really is the perfect environment for innovative and creative people. The university reflects the spirit of Rotterdam itself: extremely dynamic and interesting - so much is happening here!’

    Personalia

    Name: Alessandra Arcuri
    Function: Associate professor International and European Law
    Doctoral thesis: Governing the risks of ultra-hazardous challenges for contemporary legal systems
    Expertise: Publiekrecht, Risk Regulation, International Economic Law, Law and Economics
    Current research: Mega-Regional Economic Integration & Human Rights  

    Aleksandra Arcuri
  • Spotlight Interview | Prof. mr. Harriët Schelhaas

    Prof. mr. Harriët Schelhaas - Hoogleraar Privaatrecht

    Recht waar je de maatschappij mee dient
    Professor Schelhaas
    Recht waar je de maatschappij mee dient

    ‘Ik ben sinds 2015 hoogleraar bij Erasmus School of Law. Daarvoor ben ik tien jaar advocaat geweest bij een groot commercieel kantoor. Daar heb ik natuurlijk veel gepleit en de gebruikelijke advocatendingen gedaan. Voor mijn tijd in de advocatuur was ik AIO en universitair docent in Utrecht. Mijn promotieonderzoek ging over het boetebeding in het Europese contractrecht, wat een superleuk onderwerp was. Maar ik heb gestudeerd in Leiden en ben dus via Leiden en Utrecht in Rotterdam beland.’

    ‘Binnen ESL doe ik onderwijs en onderzoek. En management natuurlijk, als voltijds hoogleraar ben je ook veel met de afdeling en de faculteit zelf bezig. Op het gebied van onderwijs houd ik me bezig met verbintenissenrecht en dan met name met contractenrecht.’

    ‘Ik heb altijd praktijk én wetenschap willen doen, publiceren, onderwijs geven en advocaat zijn, want de wisselwerking vind ik leuk. In het begin lukte dat nog wel, maar naar verloop van tijd zat ik tot diep in de nacht nog allemaal artikelen te typen en dat ging op een gegeven moment wringen. Toen heb ik een radicale keuze gemaakt en voor de academie gekozen. Dat bevalt me heel goed. ’

    Het allerleukste om te doen

    ‘Het contractenrecht, het commerciële contractenrecht en het internationale contractenrecht vind ik echt het allerleukste om te doen. Je kunt zeggen dat dit mijn passie is. Het leuke ervan is dat je met contractenrecht je eigen wereld kunt scheppen. Je kunt er zelf een beetje mee puzzelen, je kunt zelf je regels neerleggen. Zo’n contract staat niet op zichzelf, maar is vaak een middel om een economische transactie neer te leggen. Als advocaat maakte ik vaak mee dat een cliënt zei: een contract vind ik zo ingewikkeld, ik wil gewoon een deal sluiten. En als advocaat moet je dan proberen om met behulp van het contractenrecht die deal te faciliteren.’

    ‘Met het contractenrecht dien je eigenlijk de maatschappelijke realiteit. Je ziet het gelijk terug in de praktijk. Ik probeer in onderwijs en onderzoek altijd de actualiteit erbij te betrekken: de wisselwerking tussen theorie en praktijk vind ik heel boeiend. Je leest vaak in de kranten dat er iets gebeurt – bijv. sjoemelsoftware in auto’s – en dat dan weerslag heeft op het recht, of andersom. En dat vind ik het mooie ervan. Direct effect, dus. En niet abstract, maar heel tastbaar eigenlijk. Dat vind ik het leukst en daar word ik blij van.’

    ‘Ook de internationale dimensie van het contractenrecht vind ik mooi. Ik zit in een internationale tijdschriftredactie waar we samenwerken met wetenschappers uit heel Europa. En wat we dan wel eens doen is dat we een uitspraak van de hoogste rechter uit een Europees land selecteren en dan vragen we eens een stuk of zes, zeven auteurs uit allerlei verschillende landen om daar vanuit hun nationale recht commentaar op te geven. Nou, superleuk! Omdat je dan ziet dat het recht toch echt overal anders is, en iedereen toch andere ideeën bij één en dezelfde uitspraak heeft.’

    Zeven jaar procederen

    ‘Ik heb rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar de uitleg van contracten en gekeken naar de internationale verschillen (Engels, Frans en Duits recht). Welke regels hanteren ze en wat kan er bijvoorbeeld gezegd worden over de uitleg van Amerikaanse begrippen in het Nederlandse recht? Daar heb ik, samen met Lodewijk Valk van de Hoge Raad, ook een boekje over geschreven, Uitleg van rechtshandelingen.’

    ‘Er is in Nederland een procedure geweest, dat ging over de uitleg van twee woordjes: een belastingschuld as of 1 juli 1997, is dat met ingang van of een belastingschuld die tot die tijd is opgebouwd. De ene uitleg scheelt een paar miljoen euro met de andere uitleg. Daar is ruim zeven jaar over geprocedeerd. De vraag was hoe leggen we dat uit? De Hoge Raad heeft toen gezegd, het gaat om een commercieel contract, dus misschien moeten we dat dan meer letterlijk uitleggen dan wanneer je met consumenten aan het contracteren bent. Commerciële partijen die moeten nu eenmaal weten wat er met de tekst bedoeld is. De Hoge Raad heeft later alleen duidelijk gemaakt dat dat toch wat anders ligt en dat de uitleg afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden van het geval.’

    An Act of God

    ‘Wat ik in de praktijk en ook in theorie zie, is dat het recht steeds internationaler wordt. Dat geldt ook voor het Nederlandse recht. Contracten zijn bijvoorbeeld vaak in het Engels opgeschreven of er staan veel Engelse termen in Nederlandstalige contracten. Dit komt omdat bedrijven vaak een hoofdkantoor in Engeland of Amerika hebben en die doen al hun contracten het liefst op dezelfde manier. Dan staat er opeens dat iets een act of God is. Nu weten Engelse juristen wel wat daarmee bedoeld wordt, maar geldt dat ook voor een Nederlander? Dan is het dus de vraag hoe je dat uitlegt. Hoe ga je om met een Engels concept in een Nederlands contract?’

    ‘Ik vind dat je, als er twee commerciële partijen in het spel zijn, de contracten op een andere manier moet uitleggen. Commerciële contractanten hechten meer waarde aan rechtszekerheid zodat ze meer weten wat er aan de hand is. Als je als consument een ruzie krijgt, dan is dat minder belangrijk. En ik vind dat daar dus een andere norm voor moet gelden. De Hoge Raad is het niet met me eens (of ik niet met de Hoge Raad), maar dit vind ik wel. Ik heb wat aanbevelingen geschreven hierover. Dat is precies een terrein waar de praktijk en het recht elkaar ontmoeten.’

    Dynamischer

    ‘Erasmus School of Law is jonger, minder hiërarchisch, een stuk opener en dynamischer dan andere universiteiten die ik ken. Rotterdam positioneert zich ook als een open stad met haven en handel. Rotterdam is een down to earth universiteit, denk ik. No nonsens, heel realistisch en geen poeha. Dat vind ik wel prettig, dat past helemaal bij mij.’

    ‘Erasmus School of Law heeft in vergelijking met andere universiteiten een diverse studentenpopulatie. Zo hebben we veel studenten met een migratieachtergrond. Als je naar onze collegezalen kijkt, dan staat onze universiteit misschien wel het dichtst bij de maatschappij. Het zou goed zijn om dat te onderstrepen. Aan de andere kant valt me op dat we relatief weinig vrouwen op hooglerarenposities hebben.’

    ‘Samenwerking zoeken met de praktijk vind ik prima. Immers: Where Law Meets Business. Het is ook zinvol om als wetenschapper te weten wat er in de business speelt. Mooie onderzoeksresultaten moeten gedeeld worden, vind ik, en het is mooi als de praktijk daar verder mee kan.’

    ‘Wat zou ik mee willen geven aan jonge wetenschappers die een academische carrière overwegen? Dat het hartstikke leuk is! Als je ergens écht in geïnteresseerd bent, is er niets mooiers dan een paar jaar in een onderwerp te duiken, daar in alle rust over na te denken en te schrijven en er de expert in te worden. Dus pak je kans en ga lekker onderzoek doen!’

    Personalia

    Naam: Harriet Schelhaas
    Functie: Hoogleraar Privaatrecht
    Proefschrift: Het boetebeding in het Europese contractenrecht
    Expertise: Commercieel en internationaal contractenrecht
    Huidig onderzoek: Uitleg van contracten

    Professor Schelhaas
  • Spotlight Interview | Mr. Joost Verbaan

    Mr. Joost Verbaan - Wetenschappelijk docent Straf(proces)recht

    Mijn vakgebied is net als voetbal: iedereen heeft er ‘verstand’ van
    Joost Verbaan
    Mijn vakgebied is net als voetbal: iedereen heeft er ‘verstand’ van

    ‘Eigenlijk heb ik mijn hele juridische leven aan de Rotterdamse rechtenfaculteit doorgebracht, als student en als wetenschapper. Via een beroepskeuzetest kwam ik bij de rechtenstudie uit en dat beviel vrijwel direct. Een breed palet aan vakken, theoretisch en praktisch tegelijk, het ging snel leven! In het tweede jaar had ik een soort competitie met een medestudent. Formeel strafrecht was het vak, ik bereidde mij extra goed voor, en de liefde voor strafrecht werd geboren.’

    ‘Het was eind jaren 90, internet was nog beperkt en er waren nog geen social media. Spong en Moszkowicz kwamen af en toe op televisie, maar waren zeker niet de role models die ze nu soms zijn. Eigenlijk waren er toen dezelfde casusposities als nu. Als er bijvoorbeeld een woning wordt doorzocht of een verdachte afgeluisterd, onder welke voorwaarden mag dat? Wie mogen dat bevelen? Dat interesseerde me.’

    ‘Ik ben snel begonnen als student-assistent. Zo raakte ik betrokken bij het grote wetgevingsproject in de Cariben onder leiding van professor Hans de Doelder. Dat was enorm inspirerend, daar wilde ik bij blijven.’

    Met de poten in de Maas

    ‘Ik doe veel wetenschappelijk onderzoek, schreef al meerdere lesboeken en was mede-ontwikkelaar van de succesvolle website SR Updates, waarbij nieuwe uitspraken en annotaties snel en eenvoudig online inzichtelijk zijn.’

    ‘Ik voel me thuis bij Erasmus School of Law. We zijn een faculteit die sterk verbonden is met de maatschappij. Toga aan de Maas, Juridische Samenwerking aan de Maas, noem maar op. Met de poten in de aarde, of liever gezegd: in de Maas. En terecht, want maatschappelijke relevantie vind ik een belangrijk uitgangspunt, al is de discussie over fundamenteel onderzoek niet altijd even zuiver. Soms lijkt een onderzoek puur theoretisch, maar word je toch ingehaald door de praktijk. Ik herinner me dat we in het Antillenproject (opstellen strafwetgeving voor de Caribische Koninkrijksdelen) overwogen om in titel 1 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde delicten gericht tegen het koningshuis te schrappen. Die zouden toch niet voorkomen, dachten we. We lieten de passage evenwel staan en een paar jaar later vond het beruchte auto-incident in Apeldoorn plaats.’

    ‘Niet al het onderzoek wordt gepubliceerd. Onderzoeken die we voor de politie doen, zijn hier een goed voorbeeld van. Vermeldenswaardig is het project dat we samen met de TU Delft hebben verricht op het gebied van wapendetectie. Technisch is steeds meer mogelijk, maar zijn al die technische mogelijkheden ook toegestaan? En wat kun je met computers? Mag je met metadata potentiële criminele netwerken blootleggen? Als iets wenselijk is, hoe kan het dan wettelijk mogelijk worden gemaakt? Dat boeit mij enorm.’

    Het waarom achter de regels

    ‘Als docent probeer ik vooral om jonge mensen te enthousiasmeren. Natuurlijk, studenten moeten allereerst de theorie kennen, maar in mijn colleges probeer ik ze te laten nadenken over het waarom achter de regeltjes. Uiteraard haal ik regelmatig een maatschappelijke casus aan. Dan gaat het recht werkelijk leven! De moderne techniek biedt ook mooie kansen. Theorie kun je op het web of in een filmpje kwijt, dus kun je in de colleges veel meer voorbeelden geven. Vroeger was een college vooral bedoeld om kennis over te dragen; nu is er meer aandacht voor achtergrond, voor duiding. Met het Erasmus Centre for Penal Studies verzorgen we ook cursussen voor onder meer de marechaussee, de advocatuur en de reclassering. Ook hier is er dus de band met de beroepspraktijk.’

    ‘Het vakgebied van het strafrecht kan zich geen pauze veroorloven. De wereld wordt kleiner en criminaliteit wordt meer internationaal. Terroristen stoppen niet bij de grens. Toch is het strafrecht binnen de Europese Unie nog steeds vrij nationaal georiënteerd. Ik pleit wel voor meer Europese richtlijnen. Binnen een half uur zit je in België, het is wel fijn als je daar een beetje hetzelfde behandeld wordt. Het feit dat we nu een raadsman bij het verhoor hebben, komt voort uit Europese jurisprudentie. Het probleem is dat landen vaak liever hún regels opleggen, dan die van andere landen te accepteren. Ja, ook Nederland kan een behoorlijke zedenmeester zijn. Terrorismebestrijding is al wel op veel punten op Europees niveau geregeld.’

    ‘Wetgeving is altijd achteraf. Maar via het strafrecht kun je ook een signaal afgeven dat we iets niet willen en dat we mensen een veilig gevoel te geven, bijvoorbeeld via fouilleringen. Want ook de perceptie van de burger verandert. ‘Blauw op straat’ werd twintig jaar geleden als bedreigend ervaren, maar geeft nu het idee van veiligheid.’

    Zeventien miljoen strafrechters

    ‘Mijn vakgebied is net als voetbal: iedereen heeft er ‘verstand’ van! Het lijkt soms wel of er zeventien miljoen strafrechters in Nederland wonen. Van wie de meesten trouwens roepen dat we zwaarder zouden moeten straffen. Maar ik vind dat we al behoorlijk streng straffen. En het aardige is: uit onderzoek blijkt dat, als burgers alle ins en outs van een casus kennen, ze meestal tot lagere straffen dan de rechter zouden komen! Maar vaak baseren ze hun mening op een drieregelig berichtje op nu.nl. Met de summiere informatie die men dan heeft, kan ik me voorstellen dat een straf al gauw te licht wordt bevonden. Maar ook daarin ligt een taak voor ons wetenschappers: zorgen voor een goede duiding. Aan de samenleving en om te beginnen in onze eigen colleges. Want zoals ik al zei: we hebben de regels. Maar hoe interpreteren we die bij wat er daadwerkelijk gebeurd is?’

    Personalia

    Naam: Joost Verbaan
    Functie: wetenschappelijk docent Straf(proces)recht

    Joost Verbaan
  • Spotlight Interview | Prof. mr. Hélène Vletter-van Dort

    Prof. mr. Hélène Vletter-van Dort - Hoogleraar Financieel Recht & Governance

    Ik heb wetenschap en praktijk altijd gecombineerd
    Foto van prof. Hélène Vletter-Van Dort
    Ik heb wetenschap en praktijk altijd gecombineerd

    ‘Eigenlijk ben ik helemaal niet iemand met een achtergrond in het financiële recht. Ik hield me aanvankelijk bezig met het ondernemingsrecht en ben in de ogen van andere ondernemingsrechtexperts vervolgens ‘een beetje van het pad afgeraakt’. Ergens is dat ook zo: ik begon als traditioneel ondernemingsrechtjurist, maar mede door mijn proefschrift over gelijke behandeling van beleggers bij het verspreiden van koersgevoelige informatie, ben ik langzaam maar zeker in de financiële sector beland.’

    ‘Het werken bij advocatenkantoor Clifford Chance in Amsterdam, waar ik me vooral bezig hield met internationale M&A, en het schrijven van mijn proefschrift hebben ervoor gezorgd dat ik veel heb geleerd over dit vak. Daarna zat ik onder meer in de Raad van Commissarissen van Fortis Bank Nederland. Dat was in de tijd van de nationalisatie van Fortis en ABN AMRO door de Nederlandse staat. Kort nadat ik was teruggetreden als commissaris van Fortis Bank Nederland ben ik toegetreden tot de Raad van Commissarissen van De Nederlandse Bank en was ik nauw betrokken bij de nationalisatie van SNS Bank. Weer wat later ben ik nauw betrokken geweest bij het onderzoek dat naar deze nationalisatie is gedaan. De rode draad van mijn carrière is dat ik wetenschap en praktijk altijd heb gecombineerd.’

    Wet op het financieel toezicht

    ‘Ik heb twee oraties gehouden, beide over de Wet op het financieel toezicht (Wft). De eerste hield ik in 2006 in Rotterdam. Die ging over de het ontwerp voor de Wft. Een paar jaar later heb ik in Groningen mijn tweede oratie gehouden. Daar heb ik gekeken naar de grondslagen van de Wft.’

    ‘Op dit moment is er net een soort pre-consultatiefase afgesloten, waarbij na tien jaar Wft de balans wordt opgemaakt. Dat is eigenlijk de aanloop naar het daadwerkelijke wetgevingsproces. Onze sectie Financieel Recht van Erasmus School of Law heeft hierover op 2 december 2016 samen met de Nederlandse Vereniging van Banken (‘NVB’) een congres georganiseerd. Tijdens dit congres hebben vertegenwoordigers van DNB, de NVB, het Europees Parlement, de advocatuur en de wetenschap hun visie gegeven op het vlak daarvóór door het Ministerie van Financiën gepubliceerde consultatievoorstel. Cruciaal is dat wij in Nederland niet geïsoleerd blijven nadenken over het regelen van de financiële sector, omdat dit voor een groot deel vanuit de Europese Unie wordt gedaan. Hierbij zijn twee vragen van belang. De eerste is: welke onderwerpen kunnen we nog op nationaal niveau regelen, nu de Europese Unie binnen de financiële sector steeds meer op transnationaal niveau gaat opereren?’  

    ‘De tweede vraag gaat over de manier waarop Nederland de overgebleven onderwerpen in moet vullen. Ook hierbij zijn twee aspecten van belang. Allereerst moet je jezelf afvragen of je er een Nederlands sausje overheen wilt gooien, zoals bij bijvoorbeeld de bonusbepalingen gebeurt. Daarnaast vraag ik me af of het Europese model, dat met sectoraal toezicht werkt, uiteindelijk wel voldoende strookt met ons cross-sectorale functionele toezichtmodel.’

    Principal based toezicht

    ‘Een beweging die toegaat naar het volledig dichttimmeren van Europese wet- en regelgeving op het gebied van financieel toezicht, lijkt mij niet de juiste weg. Mijn voorkeur gaat niet uit naar een systeem van tick-the-box, maar naar toezicht dat in de kern principal based is. Hierbij leg je een globale norm neer in de wet- en regelgeving en achteraf ga je bepalen hoe deze norm concreet toegepast zou moeten worden.’

    ‘Ik houd mij graag bezig met situaties waarin wet- en regelgeving samenkomen met de praktijk. Daar ligt mijn passie voor het vak dan ook het meest.’

    Meest vooraanstaande rechtenfaculteit

    ‘Als het om mijn werkgebied gaat, is Erasmus School of Law wat mij betreft de meest vooraanstaande rechtenfaculteit van Nederland. Ik denk dat wij, zonder te overdrijven, op financieel recht terrein echt iets kunnen bieden wat andere universiteiten niet hebben. Dit merk ik bijvoorbeeld door het aantal mensen dat mij spontaan meedeelt dat ze hier graag les willen geven. Of aan het aantal promovendi dat mijn collega’s en ik hebben. Het grote aantal buitenlandse hoogleraren dat hier rondloopt, zorgt bovendien voor goede contacten en verstevigt onze reputatie. Tenslotte maakt het feit dat we economie én rechten hebben, onze faculteit erg sterk.’

    ‘Waar ik veel plezier uit haal, zijn gemotiveerde studenten. Tegen de tijd dat studenten gaan beginnen aan een master, zijn ze tot het bot gemotiveerd om te scoren. Men heeft hier, mede doordat de Rotterdamse student veel naast zijn studie doet, het lef om tegen de hoogleraar te zeggen als iets niet klopt. Als ik iets uitleg, dan zegt een student soms: ‘Maar in de praktijk zit het zo niet in elkaar.’ Dat vind ik enorm leuk. Ik wil dan ook dat een student goed voorbereid naar de collegezaal komt om de dialoog aan te gaan.’

    Expertise delen en uitkijken

    ‘Ik vind dat wetenschappers hun expertise meer moeten delen met beleidsmakers, met de media en vooral met de samenleving. Tegelijkertijd moeten wetenschappers hier ook weer mee uitkijken. Wij zijn als wetenschappers niet altijd voldoende geëquipeerd om het debat aan te gaan met de media en de politiek. Dat is echt een vak apart.’

    Go for it!

    ‘Een veel voorkomende misvatting over het financiële toezicht is dat ongelukken voorkomen zouden kunnen worden. Dit is echter onmogelijk, want je zit als toezichthouder of regelgever altijd op de achterbank; je hebt het niet in eigen hand, want je zit niet aan de knoppen. Je kijkt dus altijd terug en kunt pas ingrijpen als het mis dreigt te gaan of al misgegaan is.’

    Aan jonge wetenschappers wil ik meegeven dat ze ervoor moeten gaan. Go for it! Ik denk dat veel mensen, inclusief ikzelf destijds, zich vergissen in wat het betekent om een proefschrift te schrijven. Dat vereist echt zitvlees, doorzettingsvermogen en zorgt voor heel veel frustratie. Het is ongelooflijk wat het met je doet, omdat je echt teruggeworpen wordt op jezelf. Maar uiteindelijk is het een hele prestatie als het je lukt.’

    Personalia

    Naam: Hélène M. Vletter- van Dort
    Functie: Hoogleraar Financieel Recht & Governance 
    Proefschrift: Gelijke behandeling van aandeelhouders bij het verspreiden van koersgevoelige informatie
    Expertise: Financieel recht, Toezicht financiële markten, Corporate Governance 
    Huidig onderzoek: economische en juridische veronderstellingen die ten grondslag liggen aan corporate governance codes

    Foto van prof. Hélène Vletter-Van Dort
  • Spotlight Interview | Prof. dr. René van Swaaningen

    Prof. dr. René van Swaaningen - Hoogleraar Criminologie

    Criminologie is niet voor solisten
    Rene van Swaaningen
    Criminologie is niet voor solisten

    ‘Dat ik criminoloog ben geworden is deels planning en deels toeval, zoals dat wel vaker gaat. Na mijn eindexamen ben ik direct naar Berlijn vertrokken, al had ik me daarvoor al ingeschreven voor een studie die naar mijn idee heel breed was: Rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In het eerste jaar van die studie leer je wat je echt leuk vindt; voor mij bleken dat meer de para-juridische vakken te zijn, zoals rechtsfilosofie, rechtsgeschiedenis, en rechtssociologie.’

    ‘Omdat ik ben opgegroeid met de mentaliteit dat je afmaakt waar je aan begint, heb ik wel keurig mijn kandidaatsexamen rechten afgerond. Na een voorlichting van de flamboyante hoogleraar criminologie Herman Bianchi wist ik: dit wil ik doen! Criminologie is een mengeling van sociale wetenschappen en rechten, wat ik veel interessanter vond dan de formeel juridische kant. Daarnaast was het destijds een kleine opleiding met een informele sfeer. Jij kende alle docenten en alle docenten kenden jou, wat ik heel plezierig vond.’

    Van straffen wordt niemand beter

    ‘Door een student-assistentschap bij Bianchi en het organiseren van een groot internationaal congres over het thema alternatieven voor gevangenisstraf, ben ik doorgerold in de wetenschap. Natuurlijk is dat op een gegeven moment ook een bewuste keuze geweest: je krijgt kansen en die pak je. Ik merkte dat mijn hart bij dit onderwerp lag en dat viel anderen ook op. Ik ben aanvankelijk naar Erasmus School of Law gekomen om het in 1984 door Louk Hulsman mede opgezette Common Study Programme on Criminal Justice and Critical Criminology (CSP) te coördineren. Dat was één van de eerste ERASMUS-programma’s en anno 2017 bestaat het nog steeds.’

    ‘De keur aan wetenschappers die ik daarin heb leren kennen is heel belangrijk voor mij geweest. Zo heeft de bekende criminoloog Jock Young de weg naar internationale tijdschriften wat voor me gebaand en ben ik door CSP-oud-studenten uit Latijns Amerika (die in de Spaanse groep hun master deden) me steeds meer op dat continent gaan richten. En de nieuwe internationale Research Master (ReMEIC) over ‘Border Crossing, Security and Social Justice’ die we momenteel ontwikkelen uiteindelijk ook uit dit lang bestaande netwerk voortgekomen.’

    ‘Mijn proefschrift is deels ook een reflectie van het CSP. De geschiedenis van de kritische criminologie was vooral op Engelstalige landen gericht. Ik heb zeg maar het continentaal-Europese verhaal geschreven. Het empirische deel van mijn proefschrift ging over de rol van gedetineerden- en strafrechtshervormingsbewegingen in Europa. Het abolitionisme, het idee dat we op een hele andere manier met criminaliteit moeten omgaan, speelde daarbij een belangrijke rol. Ik was het met Bianchi en Hulsman eens dat van straffen niemand beter wordt en dat we dus iets anders moesten bedenken. Het is daarbij belangrijk om ons te realiseren dat er niet één passend medicijn voor alle kwalen is; dat je anders omgaat met hangjongeren dan met een grote fraudezaak binnen een bedrijf.’

    Fremdkörper

    ‘Criminologie bestaat al sinds de 19e eeuw, al heette het toen nog ‘criminele antropologie’. Het ontstond in Europa vanuit zowel de biologie als het strafrecht en werd tot de jaren zestig slechts door een enkeling bedreven. Later verschenen kleine afdelingen van mensen die geen rechtenachtergrond hadden, maar een sociaalwetenschappelijke, maar de inbedding in de vakgroepen strafrecht bleef onveranderd. In Engelssprekende landen is de criminologie eerder vanuit de psychologie en psychiatrie ontstaan, waardoor het daar ook tegenwoordig nog onder de sociale faculteit valt. In continentaal Europa werd criminologie in het begin wel als een Fremdkörper binnen de rechtenfaculteit beschouwd; zeker in de jaren ’90 was criminologie bepaald niet populair.’

    ‘Rond het jaar 2000 nam de interesse in criminologie opeens ontzettend toe. Dit had deels te maken met de parlementaire enquête opsporingsmethoden, ook wel bekend als de commissie-Van Traa, die in 1994 van start ging. Hierdoor werd criminologie een stuk zichtbaarder. Verder bleken er, zo was onder meer de klacht bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), weinig empirische onderzoekers te zijn die voldoende kennis hadden van het rechtssysteem, terwijl daar wel behoefte aan was. En natuurlijk zorgden series als CSI er ook voor dat het onderwerp meer bekendheid kreeg onder studenten, ook al heeft de opleiding criminologie daar maar weinig mee te maken.’

    ‘Dankzij deze toegenomen aandacht konden wij een nieuwe opleiding opzetten, wat we samen met de Vrije Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden hebben gedaan. Ik ben daar kwartiermaker voor geweest, en het opzetten van die opleiding zie ik zelf als een van mijn meest blijvende bijdragen aan de criminologie.’

    Mixed methods

    ‘Wat misschien niet bij iedereen goed op het netvlies staat, is dat criminologisch onderzoek bijna altijd in teamverband wordt gedaan. Wij kennen maar weinig solisten – er is massa nodig om onderzoek te kunnen draaien. Met de grotere studentaantallen werden er ook meer medewerkers aangetrokken, waardoor we ook weer meer en grotere onderzoeksopdrachten konden aannemen. Onze specialisatie ligt op het gebied van grootstedelijke problematiek, organisatiecriminaliteit, en migratie gerelateerde problemen. Dat in combinatie met onze kritische distantie ten aanzien van ‘de instituties’ en onze mixed methods-aanpak, waarbij we kwalitatief en kwantitatief onderzoek combineren, typeert ons Rotterdammers in het Nederlandse criminologische landschap.’

    Capo di tutti capi

    ‘Ik vind dat je als wetenschapper een aantal belangrijke taken hebt. Allereerst doen wij aan debunking; het doorbreken van stereotypen. Neem bijvoorbeeld de mythe dat veel immigranten in de criminaliteit belanden: bij nader onderzoek blijkt dat de meesten het hoofd prima boven water kunnen houden binnen de ‘grijze’ economie als schildersbedrijfjes, restaurants enzovoorts. Een ander voorbeeld betreft het vooroordeel dat de georganiseerde misdaad in Nederland een maffiastructuur zou hebben, met een capo di tutti capi aan het hoofd en zijn consigliere aan zijn zijde. Dat is ook niet waar, de georganiseerde misdaad in ons land lijkt eerder te bestaan uit fluïde samenwerkingsverbanden, die bij iedere deal kunnen wijzigen.

    ‘Wat ik als externe beschouwer aan een rechtenfaculteit ook belangrijk vind, is het signaleren van problemen, patronen en praktijken waar iets mee zou moeten gebeuren, die wanneer je vanuit het systeem van het recht kijkt misschien niet zo opvallen. Verder vind ik het onze taak om bezig te zijn met valorisatie: kennisoverdracht ten behoeve van de maatschappij. Dat bedoel ik in de breedste zin van het woord – we moeten valorisatie niet verengen tot een strikt beleids-, economisch of industrieel nut. Het wakker schudden van een samenleving door te bevragen waarom we bepaalde dingen doen zoals we ze doen, vind ik bijvoorbeeld ook valorisatie. Dit kan ook betrekking hebben op betrekkelijk kleine zaken, zoals het feit dat op onze telefoons alle instellingen waarmee je gemonitord wordt, standaard staan ingeschakeld in plaats van uitgeschakeld. Waarom accepteren we dat? Ook het doen van opdrachten voor organisaties kan een vorm van valorisatie zijn – waarbij het belangrijk is dat je als universiteit de luxe hebt om kritische afstand te bewaren tot de opdrachtgever. Wij kunnen het ons permitteren om ook onwelkome boodschappen te brengen. Ik denk dat het ook juist goed is voor organisaties om tegengas te krijgen; als dit niet gebeurt, zie je je eigen blinde vlekken op gegeven moment niet meer.’

    Blijf nieuwsgierig

    ‘Ik vind onderwijs ontzettend inspirerend. Het leukste aspect ervan blijft wel om ‘het kwartje te zien vallen’ bij de studenten. Ik zou graag willen dat zij aan het eind van hun opleiding hebben geleerd dat niets vanzelfsprekend is, dat je in principe alles moet bevragen. Ik denk een student een bepaalde nieuwsgierigheid moet hebben – eigenlijk zou dat je voornaamste motivatie moeten zijn voor het volgen van een universitaire studie.’

    ‘Ik heb soms het gevoel dat er te veel druk op studenten ligt om maar zo snel mogelijk af te studeren, waardoor je niet meer de gelegenheid hebt om je langere tijd echt ergens in te verdiepen. Ik denk ook wel eens dat bij veel Nederlandse studenten een gevoel van urgentie hiertoe ook ontbreekt, terwijl ik die wil om te weten en het engagement in andere landen meer tegenkom.’

    Rotterdamse mentaliteit

    Wat ik uniek vind aan Erasmus School of Law zijn alle kansen die ik gekregen heb om hier innovatieve dingen te doen. Het is die typisch Rotterdamse mentaliteit: heb je een goed idee, probeer het dan maar. Een voorbeeld hiervan is onze Erasmus Graduate School of Law, waarvan ik ook aan de basis heb mogen staan. Ik vind het nog steeds een verworvenheid dat het nu niet meer zo is dat een hoogleraar een idee heeft en daar een AIO bij wordt gezocht. In plaats daarvan kan iedereen een eigen onderzoeksvoorstel indienen, waarbij het principe ‘may the best person win’ geldt. Dat was een vrij radicale stap, maar dat hebben we toch maar mooi gedaan. En dat geldt natuurlijk ook voor het Probleem Gestuurd Leren, waardoor we nu werken met onderwijsgroepen onder aansturing van tutoren. Of dat nou het beste onderwijssysteem is, zal de tijd leren. Het feit dat Erasmus School of Law zo open staat voor innovatie, vind ik echter heel fijn. Daar voel ik me goed bij thuis.’

    Personalia

    Naam: René van Swaaningen
    Functie: Hoogleraar Criminologie
    Proefschrift: European critical criminologies
    Expertise: Criminologie
    Huidig onderzoek: Culturele en mondiale criminologie

    Rene van Swaaningen
  • Spotlight Interview | Mr. dr. Joke de Wit

    Mr. dr. Joke de Wit - Universitair hoofddocent Bestuursrecht

    De stad Rotterdam moet iets van onze expertise merken
    Joke de Wit
    De stad Rotterdam moet iets van onze expertise merken

    ‘In 2001 werd ik benoemd tot studieadviseur bij Erasmus School of Law. Omdat ik weinig van rechten wist, ben ik het gaan studeren. Ik ben begonnen met de propedeuse en zou daarna stoppen, maar dat is enigszins uit de hand gelopen. Toen ik bijna was afgestudeerd, kwam er onderwijsruimte binnen de sectie Staats- en Bestuursrecht vrij. Ik heb mijn scriptie snel afgemaakt om ervoor te zorgen dat ik in aanmerking kon komen voor die plek.’

    ‘Ik ben afgestudeerd in het Staats- en Bestuursrecht en aansluitend gepromoveerd op een staatsrechtelijk onderwerp, namelijk op de wijze waarop het internationaal recht doorwerkt in de nationale rechtsorde en dan vooral op de vraag hoe de rechter de grondwetsbepaling die deze doorwerking regelt, interpreteert en toepast. Tijdens mijn promotie hield ik mij ook al bezig met het bestuursrecht en dan vooral met het sociaal domein. Dat gaat onder meer over de uitvoering van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet; dat is het sociaalzekerheidsrecht, het terrein waarop mijn huidige onderzoek zich richt.’

    Goede juristen

    ‘Mijn passie voor het vak ligt vooral bij het onderwijs. We moeten namelijk goede juristen opleiden die positief kunnen bijdragen aan de complexe maatschappij waarin wij leven. Het gaat voor mij altijd om het grotere geheel en ik vind dat de stad Rotterdam iets van ons en onze expertise moet merken.’

    ‘Mijn passie voor het recht heeft vooral met de sociale aspecten te maken. Dat is ook de reden waarom het publiekrecht en in het bijzonder het Staats- en Bestuursrecht mij aantrekt. Daar binnen interesseren vooral het sociaalzekerheidsrecht en het vreemdelingenrecht mij. Binnen die rechtsgebieden gaat het vaak over kwetsbare mensen, mensen die hun leven niet of maar nauwelijks op de rails krijgen. De vraag die ik daarbij stel is hoe gaan de wetgever, het bestuur en de rechter met deze kwetsbare groepen om? Geeft de overheid deze mensen voldoende kansen om de autonomie over hun eigen leven te behouden of weer te heroveren. En in hoeverre hebben bijvoorbeeld mensen met een bijstandsuitkering nog de kans om daadwerkelijk te participeren in onze samenleving als de wet- en regelgeving zoveel beperkingen oplegt en verplichtingen stelt. Dit zijn allemaal zaken waar mijn onderzoek over gaat.’

    De drie D’s

    ‘De decentralisatie van de drie wetten (Participatiewet, Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet) is een belangrijke ontwikkeling in mijn vakgebied. Ik heb bij de gemeenten Rotterdam en Schiedam veel contacten met ambtenaren die zich met de uitvoering van deze wetten bezighouden. In beide gemeenten zit ik in de algemene bezwaarschriftencommissie, hierdoor zie ik hoe de wetgeving in de praktijk werkt. Daardoor zie ik ook hoeveel moeilijkheden gemeenten ondervinden bij de uitvoering van deze wetten en welke consequenties dat heeft voor burgers.’

    Gepuzzel

    ‘Binnen het onderwijs houd ik me vooral met het algemene bestuursrecht bezig. Ik geef in het eerste jaar het vak Inleiding Staats- en Bestuursrecht. Later in de Bachelor geef ik het vak Bestuursrecht en in de masterfase houd ik me voornamelijk bezig met het bestuursprocesrecht. Ik zeg altijd tegen studenten: het bestuursprocesrecht is een soort wiskunde van het recht. Je moet de formules toepassen en puzzelen, ik vind dat heel leuk en ik geef het met veel plezier.’

    Stapels jurisprudentie

    ‘Een algemene misvatting over ons vak is dat het recht ontzettend saai en ouderwets zou zijn. Maar dat is helemaal niet waar. Het is juist heel actueel en er gebeurt continu van alles. Je moet het dus heel goed bijhouden: wekelijks werk ik stapels jurisprudentie door. Er zijn op mijn vakgebied werkelijk honderd (of nog meer) uitspraken per week. Als je dat niet bijhoudt, zoals bijvoorbeeld tijdens een vakantieperiode, dan loop je meteen behoorlijk achter.’

    ‘Een andere misvatting vind ik dat er in de politiek vaak wordt gedacht dat je met wetgeving van alles kunt bereiken. Volgens mij komt er vooral op aan hoe er met de wetgeving wordt omgegaan en hoe het wordt uitgevoerd. Er is vrijwel altijd heel veel ruimte voor interpretatie.’

    Rotterdams

    ‘Erasmus School of Law is een ontzettend leuke plek om te werken. Het onderzoek floreert hier echt. Het werken met een jonge generatie studenten is heel boeiend, zij zitten immers in een fase die heel belangrijk is voor de rest van hun leven. Ook heerst hier echt de Rotterdamse mentaliteit en dat vind ik, tot op zekere hoogte althans, erg prettig. Vooral normaal doen en gewoon meewerken, dat zijn voor mij zaken die bij de Rotterdamse mentaliteit horen.’

    ‘Bij Erasmus School of Law hebben we veel eerste generatie studenten, wat soms best lastig kan zijn. Tegelijkertijd brengt dit ook weer leuke dingen met zich mee. Studenten ontdekken hier namelijk wie ze zijn, dat is mooi om te zien.’

    Nooit fluitend

    ‘Studenten, maar ook promovendi, zitten in een enorm bevoorrechte positie. Het is natuurlijk geweldig dat je als jonge onderzoeker een aantal jaren helemaal mag concentreren op iets wat je hartstikke leuk vindt. Je mag je als promovendus vier jaar verdiepen in iets wat jouw interesse heeft.’

    ‘Tegelijkertijd: proefschriften komen nooit fluitend tot stand. Het is een worsteling die heel leerzaam is en waarbij je jezelf meerdere keren tegen komt. Dat is niet altijd leuk, maar het maakt je uiteindelijk wel tot een prettiger mens, denk ik. “Promoveren is topsport” was de laatste stelling van mijn proefschrift. En dat is echt zo.’

    Personalia

    Naam: Joke de Wit
    Functie: universitair hoofddocent Bestuursrecht
    Proefschrift (2012): Artikel 94 Grondwet toegepast.’
    Expertise: Bestuursrecht in het algemeen
    Huidig onderzoek: Sociaalzekerheidsrecht in het bijzonder de Participatiewet

    Joke de Wit
  • Spotlight Interview | Prof. mr. dr. drs. Jeroen Temperman

    Prof. mr. dr. drs. Jeroen Temperman - Bijzonder hoogleraar Internationaal Recht en Religie

    Mijn grote passie ligt binnen de overlap tussen recht en humanistiek
    Jeroen Temperman
    Mijn grote passie ligt binnen de overlap tussen recht en humanistiek

    ‘Ik ben mijn wetenschappelijke opleiding begonnen met de opleiding Humanistiek aan de Universiteit voor Humanistiek. In mijn tweede studiejaar ben ik daarnaast gestart met mijn bachelor (en daarna mijn master) Rechtsgeleerdheid aan Erasmus School of Law.’

    ‘Op het moment dat ik deze studies deed, was ik er niet direct van doordrongen dat ik onderzoeker zou kunnen worden op het gebied van mensenrechten. Dat was voor mij echt een geleidelijk proces. Bij de Humanistiek ligt de nadruk op ethiek, vergelijkende religiewetenschap en filosofie en de betekenissen die binnen die disciplines gegeven worden aan humanistische waarden, zoals rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. De Rechtsgeleerdheid zorgde voor een overlap met Humanistiek wanneer publiekrechtelijke onderwerpen en met name het internationale recht en mensenrechten aan de orde kwamen.’

    ‘Na mijn studies had ik het gevoel dat ik nog niet klaar was en vertrok daarom naar het buitenland. Van reizen komt nog meer reizen. Zo volgde ik onder andere een master Mensenrecht in Italië, studeerde ik in Kopenhagen en liep stage in Londen bij het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Vervolgens vertrok ik naar Ierland om te beginnen met mijn proefschrift aan het Irish Centre for Human Rights. Na mijn promotie ben ik als universitair docent gaan werken bij de Universiteit van Amsterdam. In 2010 was de cirkel rond toen ik terugkeerde naar Erasmus School of Law, waar ik hoofddocent Internationaal Publiekrecht werd. In 2017 ben ik benoemd tot bijzonder hoogleraar Internationaal Recht en Religie.’

    Echte bijdrage aan de literatuur

    ‘In Ierland ben ik begonnen aan mijn eerste meerjarige onderzoeksproject, over de relatie tussen kerk en staat en de impact hiervan op mensenrechtenbescherming. Ten eerste onderzocht ik de bestaande relaties tussen kerk en staat. Hierin ben ik ambitieus, misschien iets te ambitieus, te werk gegaan door alle bijna tweehonderd Lidstaten van de Verenigde Naties met elkaar te vergelijken. Een enorme exercitie in rechtsvergelijking, maar het was in deze fase van het onderzoek belangrijk het brede spectrum te schetsen, voorbij te gaan aan “seculiere staten” versus “theocratieën”, en dus de vele varianten die bestaan in kaart te brengen.’

    ‘Deze inventarisatie van bestaande modellen koppelde ik vervolgens aan de implementatie van mensenrechten. Op die manier onderzocht ik welke correlaties er bestaan tussen de verhouding van kerk en staat en mensenrechtenbescherming. De belangrijkste bijdrage van mijn werk was een dieper inzicht in de precieze aard van die correlaties: Dit onderzoek liet zien dat die niet alleen bestonden tussen de verhouding van kerk en staat en de godsdienstvrijheid, maar dat impact ook waarneembaar was op de implementatie van andere rechten, zoals het recht op onderwijs, het recht op werk en andere sociaaleconomische rechten.’

    Expert op gebied recht en religie

    ‘Over het algemeen doe ik mijn juridisch onderzoek zelfstandig. Mijn meest recente boekpublicatie ‘Religious Hatred and International Law: The Prohibition of Incitment to Violence or Discrimination’ over haatzaaien is daar een voorbeeld van. Uiteraard zijn er ook rechtsgebieden binnen mijn expertise waarin ik samenwerk met mijn Europese en internationale collega’s. Zo was ik als redacteur betrokken bij een boek over religieuze symbolen in openbare ruimtes. Dat was een samenwerking tussen zo’n 25 internationale experts.’

    ‘Binnenkort publiceer ik de resultaten van een soortgelijk internationaal onderzoeksproject, dit maal naar de aard en werking van blasfemiewetgeving in Westerse landen. Ik vind het bij dergelijke samenwerkingsprojecten belangrijk niet enkel expertise uit verschillende landen te bundelen, maar de data ook op basis van een verscheidenheid aan methodes en benaderingen te bespreken. Al naar gelang waar het project het meest baat bij heeft, kunnen dat empirische, rechtsfilosofische, sociologische, etc., verhandelingen zijn.’

    Eigentijds en relevant

    ‘Als wetenschapper op het gebied van mensenrechten ben je altijd bezig met eigentijdse en recente thema’s en dilemma’s. Waar ik in toenemende mate onderzoek naar doe en wat ik erg interessant vind, zijn botsingen tussen bepaalde mensenrechten, zoals botsingen tussen ondernemingsvrijheid en godsdienstvrijheid, of die tussen gelijke behandeling op gronde van seksuele oriëntatie en godsdienstvrijheid. Ik constateer dat in deze pluralistische maatschappij meer en meer botsingen ontstaan, waardoor het belang van mensenrechten en onderzoek daarnaar nooit zal verdwijnen. In die zin is mijn werk nooit af.’

    Afstand van de ivoren toren

    ‘In september 2016 ben ik als godsdienstvrijheid-expert benoemd bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Dit brengt mij in de gelegenheid aan de 57 lidstaten adviezen uit te brengen met betrekking tot beleid of handelingen die aan godsdienstvrijheid kunnen raken. Voor mij betekende mijn benoeming dat de afstand tussen de ivoren toren van de wetenschapper en de daadwerkelijke praktijk een stuk kleiner is geworden.’

    Fundamenteel onderzoek

    ‘Als ik Erasmus School of Law aan vakgenoten moet beschrijven, dan denk ik het Rotterdamse adagium van ‘de mouwen opstropen’. ESL gaat complex, fundamenteel onderzoek niet uit de weg.’

    ‘Onderzoek breder kenbaar maken onder het grote publiek is in mijn ogen noodzakelijk. Dit geldt voor alle wetenschappen, of dit nu fundamenteel of toegepast onderzoek is. Maatschappelijke relevantie voor ons type onderzoek, naar wetgeving, beleid, etc., lijkt veelal een gegeven. Toch is het goed stil te staan bij de vraag hoe de vertaalslag te maken van een gepubliceerd paper in een top journal naar bredere publieke bekendheid met de resultaten van je onderzoek. Onderzoek op het gebied recht en religie is hier een goed voorbeeld, omdat het zo evident belangrijk is voor de maatschappij. Toch moet je wel zelf actief die stap durven maken.’

     

    Personalia

    Naam: Jeroen Temperman
    Functie: bijzonder hoogleraar Internationaal Recht en Religie
    Proefschrift (2009): ‘State-Religion Relationships and Human Rights Law: Towards a Right to Religiously Neutral Governance.’
    Expertise: Internationaal recht en religie
    Huidig onderzoek: botsingen tussen godsdienstvrijheid en gelijke rechten lhbt's; religieuze vrijheid binnen gevangeniswezen; religies binnen openbaar onderwijs.

    Jeroen Temperman
  • Alumni in the spotlight | Mr. Frank Visser

    Mr. Frank Visser - kantonrechter te Zaandam en televisiepresentator

    Mensen die zich zorgen maken over een carrière krijgen er nooit één.
    Frank Visser
    Mensen die zich zorgen maken over een carrière krijgen er nooit één.

    Frank Visser (1951) is kantonrechter te Zaandam en senior-rechter in de rechtbank Noord-Holland. Tevens is hij raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof te Den Bosch. Het grote publiek kent hem vooral als De Rijdende Rechter uit het gelijknamige televisieprogramma van de NCRV.

    Sinds 1995 is meester Visser in dat programma als rechter te zien. Het succesvolle programma kent zelfs twee spin-offs: De Vakantierechter en Recht in de Regio. Hoewel hij zijn doctoraal cum laude aan de VU in Amsterdam behaalde legde hij de basis aan Erasmus School of Law, waar hij zijn kandidaats behaalde.

    Geografisch misverstand

    Frank Visser ging in Rotterdam studeren door zoals hij het zelf noemde een ‘geografisch misverstand’. “Ik woonde in Den Haag en wilde thuis blijven wonen. Ik dacht dat de reisafstand naar Leiden langer was dan die naar Rotterdam. Dat bleek niet het geval, maar toen had ik me al ingeschreven in Rotterdam.” Zijn teleurstelling sloeg echter snel om, toen bleek dat in Rotterdam alles strak en goed georganiseerd en praktisch ingesteld was. “Ik dacht toen ook helemaal niet aan een studentenleven, ik wilde gewoon zo snel mogelijk afstuderen. Ik vond het dan ook niet erg om vroeg te beginnen en verplicht dingen thuis te doen, al was het soms ook wel wat schools. Voordeel daarvan was wel dat je hele kleine werkgroepen had. Rotterdam was de eerste stad waar dat soort werkgroepen gegeven werden. Je leerde je medestudenten zo goed kennen en dat werden dan ook je studievrienden.” Na een jaar kreeg Visser het bericht dat zijn studiebeurs over het eerste jaar omgezet werd in een schenking, omdat hij gemiddeld hoger dan een zeven stond. Dat motiveerde hem om harder te gaan studeren, waardoor zijn gemiddelde al snel richting de acht steeg. Overigens was er nog een reden om in Rotterdam te studeren, naast de geografische. “Ik had gelezen over het ‘nieuwe’ onderwijs in Rotterdam. Ik had geen idee wat het oude onderwijs inhield, maar het nieuwe sprak me erg aan. Er zat in het onderwijs veel psychologie, sociologie en economie en daar heb ik veel aan gehad in mijn latere werk.” Nadat hij zijn kandidaats behaald had verhuisden zijn ouders naar het Noorden van het land en Visser verhuisde mee. Ondanks dat hij vlak na de verhuizing in Amsterdam in een studentenhuis ging wonen, woonde hij lang genoeg bij zijn ouders om nog een geografisch misverstand te begaan. “Ik dacht dat de VU minder ver reizen was dan de UvA, maar dat bleek ook weer niet het geval. Toeval wilde dat de VU best veel op de EUR leek en daardoor goed op mijn eerdere studie aansluit.” In een eerdere mailwisseling schreef Visser al dat “ik met de in Rotterdam voor mijn kandidaats opgedane kennis van het positieve recht, in Amsterdam fluitend de doctorale eindstreep kon bereiken.” Wel geeft Visser aan aangenaam verrast te zijn door de aandacht voor de rechtsfilosofie in Amsterdam, waar in Rotterdam toen minder aandacht voor was. Het onderschrijft de gedachte van Visser dat (naast de praktische reden van de verhuizing) het goed was om “net zoals studenten in de Renaissance deden mijn blik te verruimen naar meer dan één universiteit.”

    Op zijn Rotterdams in Amsterdam

    Visser geeft aan goed te kunnen leren en altijd “op zijn Rotterdams in Amsterdam” gestudeerd te hebben. Dat betekent dat hij van aanpakken wist (niet lullen, maar poetsen), maar ook dat hij met zijn kennis van het positieve recht uit Rotterdam gemakkelijk de tentamens in Amsterdam kon halen. “In Amsterdam hoefde ik weinig nieuwe dingen uit mijn hoofd te leren. Zo kon ik voor een tentamen strafprocesrecht een 8,5 halen, terwijl ik mij op het laatste moment ingeschreven had. Puur op mijn kennis vanuit Rotterdam.” Tijdens zijn studie werd Visser gevraagd of hij vanuit ‘democratisch oogpunt’ lid wilde worden van de faculteitsraad. Al gauw werd hij ook student-assistent bij de sectie Volkenrecht. Dat zorgde ervoor dat hij zijn eigen kantoor én telefoon kreeg, waar hij veelvuldig gebruik van gemaakt heeft, ook om te studeren. In twee jaar tijd schreef hij een samenvatting van alle boeken over volkenrecht die de UB toen had, waarna hij ook zijn scriptie over het volkenrecht schreef.

    RAIO

    Formeel studeerde Visser, die zich meer internationaal rechtelijk had georiënteerd, publiekrechtelijk af, omdat internationaal recht toentertijd nog geen erkende afstudeerrichting was. “Dat was natuurlijk onzin, ik ben altijd meer op het privaatrecht georiënteerd geweest.” Na zijn afstuderen wilde Visser verder in het internationaal recht, maar dat lukt niet. Vervolgens is hij kort bibliothecaris bij het Vredespaleis geweest (“dat leek me ideaal, ik kon dan betaald doorstuderen”), maar dat beviel minder goed dan hij gehoopt had. Vervolgens meldde hij zich aan voor de Rechterlijke Ambtenaar In Opleiding (RAIO). “Tijdens mijn studie was ik al lid geweest van de rechtswinkel en het leek me leuk mensen te helpen.” Tijdens de RAIO begon Visser als officier van justitie (OvJ). “Het waren de jaren zeventig, iedereen zette zich af van het gezag en niemand wilde meer OvJ worden. Ik vond het juist ontzettend leuk.” Daarnaast was Visser griffier in Maastricht en liep hij buitenstage bij de politie. Na het afronden van de RAIO werd hij OvJ bij het parket te Alkmaar. “Ik werd gelijk fraudeofficier, mede omdat ik in de avonduren recht gaf aan de avondstudenten van de Hogeschool van Amsterdam. Hierdoor wist ik van alle rechtsgebieden wat af.” Na acht jaar werd hij in 1989 kantonrechter in Zaandam en dat bleek de plek waar hij de rest van zijn werkzame leven zou blijven.

    De Rijdende Rechter

    In 1995 kreeg hij toen het verzoek of hij wat voor televisie zou willen doen in een programma dat toen al De Rijdende Rechter ging heten. Dat wilde hij wel en samen met een aantal collega’s werden een aantal pilotuitzendingen gemaakt. Wat Visser niet wist is dat er een kijkerspanel was dat bepaalde welke rechter zij de leukste vonden. Dat werd Visser, waardoor hij vanaf 1996 echt als De Rijdende Rechter aan de slag ging. Het programma is nog steeds immens populair en kent zelfs al verschillende spin-offs. “Ik doe het programma met heel veel plezier. In mijn normale werkzaamheden heb ik er geen last van, integendeel, mensen worden liever door de rijdende rechter veroordeeld dan door iemand die ze niet kennen.” Aan studenten wil Visser meegeven dat “mensen die zich zorgen maken over een carrière krijgen er nooit één. Je studeert uiteindelijk aan een universiteit en niet aan een hbo-instelling. Ga er dus vol voor, maar doe het alleen als je het echt leuk vindt. Als je de beste bent in je vak is er altijd werk voor je. Enthousiasme voor het vak is dus dé manier om ver te komen. Begin met echt studeren, als je je eerste jaar hebt gehaald kun je altijd nog meer tijd voor andere dingen maken. Het studentenleven kan in elk geval een jaartje wachten, terwijl je door goed te beginnen de kans vergroot dat je de studie goed afrondt. Zie de studie als een doel op zich en niet als een middel om ver te komen.”

    Foto: Roland J. Reinders,
    Bron: NCRV
    Publicatiedatum: 21 mei 2014

    Frank Visser

Vergelijk @count opleiding

  • @title

    • Tijdsduur: @duration
Vergelijk opleidingen