Voetbalclubs in de hoogste Nederlandse competitie ontslaan hun trainer vooral wanneer resultaten tegenvallen. Hoewel de prestaties daarna vaak verbeteren, komt dat niet door de trainerswissel. Dat concludeert Jan van Ours, emeritus hoogleraar Toegepaste Economie aan Erasmus School of Economics, in zijn nieuwe discussion paper "Dust in the Wind: Causes and Consequences of Managerial Replacements".
Van Ours onderzocht trainerswissels gedurende zeven seizoenen in de hoogste Nederlandse voetbalcompetitie. In totaal werden 31 trainers tijdens het seizoen vervangen, ongeveer een kwart van alle trainers.
Om vast te stellen of prestaties daadwerkelijk tegenvallen, vergeleek Van Ours de resultaten van clubs met de verwachtingen van bookmakers. Hij keek daarbij zowel naar het aantal behaalde punten als naar prestaties op basis van expected goals (xG). Beide maatstaven blijken een belangrijke rol te spelen bij de beslissing om een trainer te vervangen. Ook een reeks slechte recente resultaten vergroot de kans op ontslag.
Verbetering zou ook zonder ontslag zijn gekomen
Na een trainerswissel verbeteren de resultaten gemiddeld. Maar een analyse van wat er zou zijn gebeurd als de trainer was aangebleven, laat zien dat deze verbetering niet het gevolg is van de wissel. Clubs die onder vergelijkbare omstandigheden hun trainer niet vervangen, laten een vergelijkbare verbetering zien.
'Het vervangen van een manager na een reeks slechte resultaten draagt, naar verwachting, niet bij aan een verbetering van de prestaties,' concludeert Van Ours. Toch blijven clubs trainers vervangen, omdat een nieuwe trainer altijd de mogelijkheid biedt dat het juist wél beter uitpakt.
Van Ours noemt ook de mogelijkheid dat de trainer fungeert als zondebok. Bij tegenvallende resultaten is de trainer een voor de hand liggend aanspreekpunt voor supporters, bestuurders en media. Een trainerswissel kan daarnaast worden gezien als een risicovolle poging om alsnog een betere uitkomst te bereiken.
Ook relevant voor managers in het bedrijfsleven
De studie roept een bredere economische vraag op: geldt hetzelfde voor managers in reguliere bedrijven? Volgens Van Ours zijn de verschillen tussen voetbal en het bedrijfsleven aanzienlijk, maar zijn er ook belangrijke overeenkomsten. Managers in beide omgevingen hebben te maken met stress, media-aandacht en verschillende stakeholders. Bovendien wordt hun prestatie mede bepaald door factoren waarop zij zelf geen invloed hebben.
De studie laat daarmee zien dat een verbetering na het vertrek van een manager niet automatisch betekent dat de opvolger beter presteert. Soms is de verbetering simpelweg het resultaat van wat er ook zonder wissel zou zijn gebeurd.
- Professor
- Meer informatie
Beluister hier de podcast (VoxEU) waarin Jan van Ours zijn onderzoek toelicht.
Voor overige vragen neemt u contact op met Ronald de Groot, Media & Public Relations Officer bij Erasmus School of Economics: rdegroot@ese.eur.nl, 06 53 641 846.
- Gerelateerde content