"We verzinnen slimme manieren om te bewijzen dat onderwijs leidt tot minder criminaliteit," zegt hoogleraar Olivier Marie

Hoogleraar Olivier Marie is misdaad-econoom. Als econoom is hij gespecialiseerd in (het voorkomen van) criminaliteit. Hij was erepromotor en reikte het eredoctoraat namens de Erasmus School of Economics uit aan Esther Duflo, hoogleraar Economie aan het Massachusetts Institute of Technology. Terwijl Duflo met ‘randomised control trials’ armoede onderzoekt en hoe het bestreden kan worden, focust Marie zich vooral op natuurlijke experimenten, zoals beleidswijzigingen, om te onderzoeken waarom mensen misdaden plegen, en hoe dat voorkomen kan worden.

Waar gaat uw onderzoek over?

“Ik probeer te begrijpen waarom mensen misdaden begaan. Omdat ze arm zijn? Veel tijd tot hun beschikking hebben? Is er sprake van een negatieve invloed van ouders? Met econometrische modellen kijken we of we causaal bewijs kunnen vinden. Zo is er bijvoorbeeld een sterke correlatie tussen een lage opleiding en misdaad. Mensen voor wie onderwijs minder toegankelijk is, plegen meer misdaden. Maar het is moeilijk te bepalen of dit door (het gebrek aan) scholing zelf komt, of omdat andere factoren van invloed zijn op zowel onderwijs als misdaad. We verzinnen slimme manieren om te bewijzen dat onderwijs leidt tot minder criminaliteit.”

Is dat moeilijk te bewijzen?

“Nou, je moet het slim aanpakken. Een voorbeeld: ik heb gewerkt aan een studie over de toegankelijkheid van cannabis. Zorgt het feit dat cannabis, of andere drugs, makkelijk verkrijgbaar is, ervoor dat mensen het vaker gebruiken? Dit is niet zo voor de hand liggend. Ik werkte in Maastricht toen in 2010 en 2011 werd geprobeerd om het drugstoerisme daar te bestrijden door een aantal nationaliteiten de toegang tot coffeeshops te verbieden. Op de universiteit hadden we studenten van allerlei verschillende nationaliteiten. Door de beleidswijziging mochten sommigen nog de coffeeshops in, anderen niet. In plaats van het houden van een enquête (waarin ze kunnen liegen), vergeleken we de cijfers van de studenten die toegang hadden tot coffeeshops met de cijfers van studenten die geen toegang hadden. Het effect was duidelijk: studenten die geen toegang meer hadden, haalden veel hogere cijfers. Zoals in al mijn onderzoeken, interesseert het me niet wat de perfecte (of slechte) persoon uit het perfecte (of slechte) gezin aanzet tot het plegen van een misdrijf. Ik interesseer me voor de mensen in de marge, die voor de keuze komen te staan: of ze wel of niet een misdrijf gaan plegen. Ik ben geïnteresseerd in hun drijfveren.”

“Welke oorzaken zetten mensen mogelijk aan tot crimineel gedrag. Ik werk aan kleine ‘cases’, hopelijk krijgen we op een dag een totaalbeeld van het gedrag van mensen, en wat iemand ertoe aanzet om een misdaad te plegen.”

U hebt de Veni-beurs en de Vidi-beurs ontvangen. Waar gaat uw meest recente onderzoek over?

“Mijn Veni-beurs was voor onderzoek naar inkomensschokken. Wanneer mensen plotseling hun baan verliezen, zijn ze eerder geneigd tot criminaliteit. Komt dat omdat ze minder geld hebben? Of door de schok of depressie als gevolg van het ontslag? Of omdat ze veel tijd tot hun beschikking hebben? We maakten in het onderzoek gebruik van een bestuursrechtelijke regel die sommige mensen in Nederland bij verlies van hun baan extra geld geeft en anderen niet, we onderzochten de impact van inkomen in vergelijking met andere mogelijke factoren die kunnen aanzetten tot crimineel gedrag. De conclusie lijkt (maar we zijn er nog mee bezig!) dat in de criminaliteit terecht komen, niet alleen van het inkomen afhangt.
Wat we hebben aan dit soort onderzoek, is dat het kan helpen om beleid te bepalen: geef mensen die worden ontslagen een soort inkomen, biedt anderen psychologische ondersteuning. Ik kijk steeds welke oorzaken mensen mogelijk aanzetten tot crimineel gedrag. Ik werk aan kleine ‘cases’, hopelijk krijgen we op een dag een totaalbeeld van het gedrag van mensen in het algemeen, en wat iemand aanzet tot crimineel gedrag, of niet.”

En de Vidi-beurs?

“Momenteel onderzoeken we de effecten van de introductie van de anticonceptiepil in Nederland (1970) en hoe de daling in ongewenste zwangerschappen mogelijk heeft geleid tot een daling in misdaadcijfers. In Nederland zien we na 1970 een daling van 45 procent in tienerzwangerschappen. Nadat in de Verenigde Staten abortus gelegaliseerd werd, nam in de volgende generatie het aantal misdrijven af, omdat er minder ongewenste kinderen waren. Amerikaanse academici stellen zelfs dat de daling van misdaadcijfers met 50 procent in de jaren 1990 te danken was aan zowel de invoering van de abortus als de pil. Er is een verband tussen vruchtbaarheid, onderwijs en misdaad.
Om de Nederlandse situatie in kaart te brengen, keken we naar jonge vrouwen in kleine Nederlandse dorpen en de vraag of zij toegang hadden tot de pil of niet. We keken naar het stemgedrag in die dorpen, hoeveel mensen op de SGP (of twee andere conservatieve partijen) stemden. Met de laatste volkstelling uit 1970 keken we zelfs of de huisartsen en apothekers in die dorpen religieus conservatief waren of niet.
Wat we tot nu toe zien, is bijvoorbeeld dat de invoering van de pil een grote invloed had op het aantal ‘shotgun-weddings’ (snelle huwelijken om schaamte te voorkomen over onbedoelde zwangerschappen door seks voor het huwelijk). Tot 1970 was 18 procent van de huwelijken een ‘shotgun-wedding’. Na de invoering van de pil daalde dit tot 6 procent.”

Waarom is dit onderzoek relevant?

“Het is nog steeds een actueel onderwerp. In Nederland zijn, zoals je weet, nog steeds conservatieve partijen die anti-abortusfolders tussen de reclamefolders stoppen.
De maatschappelijke invloed van mijn onderzoek is misschien duidelijk, en belangrijk, maar ik wil ook mijn collega's verdedigen die meer theoretisch werk doen, zoals econometristen. Wat zij doen, kan misschien niet op korte termijn maar wel op langere termijn enorme maatschappelijke impact hebben. Bij de Erasmus school of Economics zeggen we graag dat we de impact delen: zonder het werk op de achtergrond van theoretici en econometristen, die de kaders maken en de methoden ontwikkelen, zou geen enkel onderzoek maatschappelijk relevant kunnen zijn.” 

Professor
Faculteit
Erasmus School of Economics