Academische vrijheid vraagt om herbezinning onderwijs- en onderzoeksbeleid

Om academische vrijheid te behouden moet het onderwijs- en onderzoeksbeleid opnieuw worden doordacht. Het gaat bijvoorbeeld om de macht van colleges van bestuur, het toezicht op universiteiten en de centralere rol van het NWO. Dat blijkt uit het proefschrift van mr. dr. Joris Groen (sectie Staats- en Bestuursrecht).

Joris Groen deed voor zijn proefschrift ‘Academische vrijheid, een juridische verkenning’ onderzoek naar de juridische verankering van dit beginsel. De zaak-Maat riep bijvoorbeeld vragen op over de verhouding tussen overheidsgezag en wetenschappers in de uitoefening van hun beroep. Minister Van der Steur stelde professor George Maat op non-actief naar aanleiding van zijn lezing over de MH17-slachtoffers. Academische vrijheid speelt ook een belangrijke rol bij discussies over de inrichting van de universiteit (de ReThink-beweging) en de manier waarop onderwijs en onderzoek wordt vormgegeven. 

Colleges van bestuur
Maar wat is academische vrijheid? Volgens Groen betekent dat zeggenschap van de academicus, in samenspraak met andere academici, over de wezenlijke elementen van onderwijs en onderzoek op universiteiten. 
Die academici zitten echter niet meer alleen aan het stuur, zo blijkt. Een belangrijke conclusie in het onderzoek is dat de toename van macht bij colleges van bestuur op gespannen voet staat met academische vrijheid. Die toegenomen invloed van de colleges is mede ingegeven door een overheid die het instellingsbestuur voor het onderwijs en onderzoek verantwoordelijk wil houden. Volgens Groen vraagt deze trend om ‘een nieuw evenwicht’ tussen academische vrijheid en toenemende centralisatie. 

Toezicht
Ook in het toezicht op universitair onderwijs (het accreditatiestelsel) is herbezinning noodzakelijk, stelt Groen. Publieke verantwoording is belangrijk in het onderwijsstelsel, maar wanneer dit te overheersend wordt, leidt het tot bureaucratie en geringe betrokkenheid van academici. En dat leidt weer tot geringe verbeteringen van het stelsel. 

Het behouden en versterken van de ruimte van academici om zeggenschap uit te oefenen over de invulling van het onderwijs (de ‘horizontale elementen in het accreditatiestelsel’) is van wezenlijk belang voor academische vrijheid, betoogt Groen.

NWO
Tot slot is ook herbezinning van de rol van NWO noodzakelijk, aldus Groen. Hij maakt zich zorgen over de tendens om in onderzoeksvisitaties, maar ook in de bestuurlijke inrichting van NWO, steeds meer een objectieve definitie van wetenschappelijke kwaliteit te hanteren, los van enige disciplinaire context.  

In het domein van de maatschappij- en geesteswetenschappen zijn zeer uiteenlopende disciplines verenigd. Dat roept specifieke problemen op bij de selectie van onderzoeksvoorstellen. Verschillende voorstellen binnen verschillende vakgebieden kunnen nauwelijks met elkaar worden vergeleken. Daarnaast kunnen strategische belangen een grotere rol gaan spelen: de beoordelende wetenschappers kunnen zich gaan gedragen als belangenbehartigers van hun ‘eigen’ vakgebied bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen. 
In dit licht is Groen dan ook kritisch over de plannen voor een verdere versterking van de centrale leiding van NWO en de introductie van vier brede domeinen. 

Over Joris Groen
Joris Groen studeerde van 2002 tot en met 2009 Rechtsgeleerdheid en Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In het Huis van het Onderwijs van de Onderwijsraad werkte hij sinds 2012 aan zijn proefschrift over de verhouding tussen academische vrijheid en sturing van wetenschappelijk onderwijs en – onderzoek vanuit de rijksoverheid.