CPB heeft geen oog voor vernieuwing en ondernemen

CPB heeft geen oog voor vernieuwing en ondernemen

Door: Roy Thurik, Hugo Erken en Hans Stegeman

Wat zullen ze bij D66 op hun neus hebben gekeken toen het CPB in 2012 de effecten van hun verkiezingsprogramma had doorgerekend. De partij die het sterkst had ingezet op innovatie en onderwijs kreeg niks terug voor haar vernieuwingspakket: het CPB had becijferd dat het pakket de aankomende kabinetsperiode voor een lagere economische groei zou zorgen met 0,2 procentpunt per jaar. En de ambitieuze investeringsagenda in het onderwijs zou zich pas in 2030 uitbetalen in een hoger bruto binnenlands product (bbp) met ¼ %. De innovatiestimuleringsmaatregelen van de partij kregen nog wel het prachtige label ‘kansrijk’, maar dat was het dan ook.

Wij zijn groot voorstander van een doorrekening van verkiezingsprogramma’s door een onafhankelijke ‘arbiter’. Dit onderwerpt partijen aan begrotingsdiscipline, zorgt ervoor dat het voorgestelde beleid ook werkelijk uitvoerbaar is en geeft de economische effecten ervan weer. Het model waarmee het CPB de korte- en middellangetermijneffecten van de verkiezingsprogramma’s doorrekent (SAFFIER II), beschouwt technologische vooruitgang echter als gegeven. Het doet onvoldoende recht aan het belang van vernieuwing, onderwijs en ondernemerschap voor een economie. Investeringen in bijvoorbeeld research & development (R&D) resulteren volgens het model niet in een versnelling van de technologische ontwikkeling en daarmee in een hogere economische groei. Dat maakt het voor een politieke partij interessanter om te investeren in een hogesnelheidslijn of asfalt, dan in innovatie, onderwijs en ondernemers.

Nota bene het CPB heeft onlangs nog gepleit voor meer initiatief van de overheid bij het innovatiebeleid (FD 25 februari). Dit mist geloofwaardigheid als zo'n beleid in het eigen model niet wordt beloond met een hogere groei. Ex-hoofdredacteur Sandra Phlippen van ESB merkte in 2012 al op: 'Het is kwalijk als maatregelen die goed zijn voor economische groei maar onzichtbaar blijven in het model worden genegeerd. Misschien is dat wel waarom er in de verkiezingscampagne zo weinig over onderwijs wordt gesproken.' Ook in de komende campagne is de kans groot dat onderwerpen die tot vernieuwing en verbetering van de Nederlandse economie leiden niet prominent over het voetlicht komen. Dat is opmerkelijk omdat de basis voor het doorrekenen van de verkiezingsprogramma’s eens te meer laat zien dat de groei van de Nederlandse economie nagenoeg volledig afhankelijk is van een stijging van de arbeidsproductiviteit. Het CPB gaat uit van een relatief forse groei van 1,2% per jaar.

In een door ons ontwikkeld model voor de Nederlandse economie laten wij zien dat factoren zoals R&D bij bedrijven, buitenlandse kennisontwikkeling, menselijk kapitaal, ondernemerschap en winstgevendheid ook al op korte termijn belangrijke invloed hebben op technologische ontwikkeling en daarmee op de productiviteitsgroei. Met dit model rekenen we een aantal scenario’s door voor de Nederlandse economie tot 2020. In het conservatieve basisscenario met bescheiden investeringen in R&D en geen extra groei van het aantal ondernemers of menselijk kapitaal zal de arbeidsproductiviteit aanzienlijk minder toenemen dan in de raming van het CPB. Dit komt doordat het CPB de arbeidsproductiviteitsgroei voorspelt op basis van de groei in het verleden, terwijl het CPB zelf onderkent dat deze groei de laatste jaren veel lager lag. Juist bij technologische ontwikkeling geldt echter dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst. Onze berekeningen laten dit ook zien. Als een land niet meer investeert in kennisontwikkeling, onderwijs of ondernemerschap, wordt de arbeidsproductiviteit vanzelf uitgehold, omdat kennis snel veroudert.

In het alternatieve scenario zetten we wel in op extra investeringen in bedrijfs-R&D, menselijk kapitaal en ondernemerschap. De groei van de arbeidsproductiviteit komt dan uit op minimaal 1,3% per jaar. Dit cijfer is even hoog als het basisscenario van het CPB, maar kan alleen gehaald worden bij extra inzet op private kennis, onderwijs en ondernemerschap. Als Nederland meegaat met internationale toplanden is een productiviteitsgroei van minimaal 2% zelfs haalbaar: dat is meer dan voor de crisis.

Voor extra investeringen in kennis en ondernemerschap is natuurlijk wel wat nodig. Hoewel beleid incubatietijd behoeft, kan een deel van de groeieffecten van ons alternatieve scenario al binnen één kabinetsperiode worden gerealiseerd. Maar dan moeten innovatie, menselijk kapitaal en ondernemerschap wel prominenter worden geagendeerd. Nu we aan de vooravond staan van nieuwe Tweede Kamerverkiezingen is het te hopen dat het CPB en de politieke partijen innovatie, onderwijs en ondernemerschap de aandacht zullen geven die zij verdienen. Beter rekening houden met de effecten van investeringen die leiden tot een vergroting van de arbeidsproductiviteit op korte termijn zorgt voor een betere inschatting van beleidseffecten en tot een zuiverder debat.

CV

Roy Thurik is hoogleraar economie en ondernemerschap aan Erasmus School of Economics en academic director bij het Erasmus Centre for Entrepreneurship.

Hugo Erken is senior-econoom bij Kennis & Economisch Onderzoek van de Rabobank, in het team Internationaal Macro-economisch Onderzoek.

Hans Stegeman is hoofdeconoom Nederland van de Rabobank. Hij is verantwoordelijk voor het onderzoek dat plaatsvindt op het gebied van de Nederlandse economie.

Meer informatie

Deze opinie is eerder verschenen in Het Financieele Dagblad, gebaseerd op een opinie in Economisch Statistische Berichten.