Effect van miljoeneninvesteringen in leraren beperkt

Effect van miljoeneninvesteringen in leraren beperkt

Betere leraren leiden tot betere leerprestaties. Daarom investeerde de overheid de afgelopen jaren vele honderden miljoenen euro’s in de verbetering van de kwaliteit van docenten. Maar heeft het gewerkt? En hoe bepaal je eigenlijk wie een goede leraar is? Onderwijseconoom Marc van der Steeg onderzocht het voor zijn proefschrift, dat hij verdedigt op donderdag 24 november 2016 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij ontdekte verder dat naast leraren ook coaches een significante invloed kunnen hebben op onderwijsloopbanen.

Van der Steeg onderzocht voor zijn proefschrift Essays on Teacher Quality and Coaching onder meer de effecten van twee beleidsinstrumenten, ingezet door de overheid om de kwaliteit van leraren te verbeteren. In beide gevallen maakte hij gebruik van bijzonderheden in de regeling, waardoor controlegroepen ontstonden van vergelijkbare leraren die de interventie niet hebben gekregen. 

Het gaat ten eerste om de introductie van scholingsbeurzen voor leraren. De overheid investeerde tussen 2008 en 2013 bijna 400 euro miljoen euro in circa 40 duizend toegekende lerarenbeurzen. Uit het onderzoek van Van der Steeg blijkt dat deze beurzen hebben geleid tot 10 tot 20 procent extra deelname aan en afronding van bachelor- of masteropleidingen onder leraren in het basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. 

De vraag is nu of het echt heeft gewerkt. Dat effect blijkt enigszins beperkt: de meerderheid van de beurzen is gebruikt voor opleidingen die anders toch wel uit reguliere scholingsbudgetten en/of door leraren zelf zouden zijn bekostigd. 

Meer salaris
Ook investeert de overheid sinds 2009 circa 60 miljoen euro per jaar om meer leraren in de Randstad in een hogere salarisschaal te kunnen plaatsen, met als doel de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep in de Randstad te vergroten en toekomstige tekorten terug te dringen. De aantrekkelijkheid van het lerarenberoep in de Randstad was lager vanwege hogere lonen die buiten het onderwijs verdiend kunnen worden en moeilijker werkomstandigheden in vooral de grotere steden in de Randstad. Het aandeel niet-bevoegd gegeven lessen lag bij de introductie van het beleid een kwart hoger in de Randstad. 

Het extra geld heeft geresulteerd in 20 procentpunt meer leraren die in een hogere schaal zijn geplaatst ten opzichte van scholen buiten de Randstad. Deze hogere schaal geeft uitzicht op 17 procent meer salaris, wat overeenkomt met ruim 7 duizend euro bruto per jaar. 

Maar ook hier is het effect van de maatregel beperkt. Van der Steeg concludeert dat dit beleid heeft geleid tot iets meer behoud van leraren voor de Randstad (circa 125 leraren per jaar op een totaal van circa 30 duizend leraren). Dit komt neer op een bedrag van circa 400 duizend euro dat nodig is om 1 leraar te behouden voor de Randstad. Daarnaast heeft het beleid geleid tot een beperkt hogere scholingsdeelname (van 2,3 naar 3,2 procent van de leraren die jaarlijks een lerarenbeurs aanvraagt). Er is geen effect gevonden op het aandeel bevoegd gegeven lessen. 

Grote invloed van coaches
Van der Steeg onderzocht ook de vraag hoe je een goede of een zwakke docent kunt herkennen. En wie hebben er nog meer invloed op de schoolloopbanen van leerlingen? Er zijn substantiële kwaliteitsverschillen tussen leraren, maar deze verschillen blijken slechts in beperkte mate samen te hangen met observeerbare kenmerken als opleidingsniveau en ervaring. Er zijn kennelijk andere factoren die verschillen in kwaliteit tussen leraren bepalen. 

Van der Steeg ontdekte dat het gedetailleerd observeren van lessen met een omvangrijk observatie-instrument (door getrainde observatoren) een goed instrument is om verschillen in kwaliteit tussen leraren bloot te leggen. Leraren die matig scoren op het observatie-instrument laten hun leerlingen veel minder winst boeken op kernvaardigheden als spelling, lezen en rekenen. Ter indicatie, een basisschoolleerling die twee jaar op rij zo’n matig scorende docent heeft op basis van observatie, kan hierdoor een heel niveau lager uitkomen in het vervolgonderwijs. Dus bijvoorbeeld op het vmbo in plaats van op de havo. Het instrument biedt handvatten voor gerichte feedback en coaching op pedagogische, didactische en organisatorische leerkrachtvaardigheden. Internationaal effectonderzoek laat zien dat dit kansrijke interventies zijn en dat vooral zwakkere leerkrachten zich hierdoor sterk kunnen verbeteren. 

Naast leraren blijken ook coaches een significante invloed te kunnen hebben op onderwijsloopbanen. Een gerandomiseerd experiment met toewijzing van intensieve coaching van MBO-2 studenten laat zien dat deze coaching heeft geleid tot een afname van het voortijdig schoolverlaten met maar liefst 40 procent van 17 naar 10 procent. Een kosten-baten analyse suggereert dat bij één jaar intensieve coaching de maatschappelijke baten groter zijn dan de kosten. De coaching lijkt vooral effectief voor studenten met een hoge kans op voortijdig schoolverlaten, zoals studenten die niet meer onder de kwalificatieplicht vallen en studenten die niet meer bij beide ouders wonen. 

Over Marc van der Steeg
Marc van der Steeg studeerde economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij in 2003 afstudeerde. Hij was voorheen onderzoeker bij CPB, nu is hij senior adviseur bij Ministerie van OCW. 

Marc van der Steeg

Marc van der Steeg

Meer informatie

Persvoorlichting Erasmus Universiteit Rotterdam, 010 408 1216 of press@eur.nl