"Kwetsbare mensen worden veel zwaarder getroffen, dat zie je nu ook bij deze coronacrisis"

Interview met Thea Hilhorst

Rampen ontstaan nooit zomaar, en zijn nooit gelijk verdeeld. Rampen worden pas een ramp waar mensen kwetsbaar zijn voor de impact, en kwetsbare mensen worden veel zwaarder getroffen. Dat zie je nu ook bij deze coronacrisis, stelt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire Studies bij het International Institute of Social Studies van Erasmus Universiteit Rotterdam.

“Klimaatverandering komt ook het hardst aan bij de armste mensen die het niet zelf veroorzaakt hebben, hetzelfde geldt bij dit virus. Het gaat het hardst neerknallen bij mensen die het meest arm of kwetsbaar zijn. Denk aan sloppenwijken in landen waar mensen dicht op elkaar zitten. Of een plek zoals een vluchtelingenkamp. In Afrika zijn nu nog heel weinig gevallen. Het zou kunnen als het daar begint, dat het razend hard gaat. En hier zegt de overheid bijvoorbeeld: we gaan zzp’ers helpen. Dat gaan ze in Kenya echt niet zeggen.”

Wie gaat er het meest onder lijden?

“De kromme werkelijkheid zou kunnen zijn dat de officiële vluchtelingen die in een kamp zitten nog nét iets beter af zijn dan de mensen net buiten dat kamp. Dat is één van de thema’s in mijn onderzoek: wie is kwetsbaar in deze wereld? Je denkt aan mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, maar die hebben tenminste nog (beperkte) rechten op hulpverlening omdat ze het etiket ‘kwetsbaar’ hebben. Mensen die niet dat etiket hebben maar ondertussen in een vergelijkbare situatie zitten, zijn nog kwetsbaarder.

Je hebt kans bijvoorbeeld dat corona veel harder toeslaat in de sloppenwijken van Bangladesh dan in de Rohingya-kampen van dat land. In de kampen zijn voorzieningen, daar is gezondheidszorg, daar krijgen mensen te eten.”

“De kromme werkelijkheid zou kunnen zijn dat de officiële vluchtelingen die in een kamp zitten nog nét iets beter af zijn dan de mensen net buiten dat kamp.”

Is er een rol voor humanitaire hulp in deze coronacrisis?
“Humanitaire hulp is in eerste instantie een sector. Net als andere sectoren moet ze zich momenteel enorm aanpassen. Hulpverleners kunnen moeilijk thuis werken. Je wilt wel service kunnen verlenen. Maar laat je een humanitaire werker een vluchtelingenkamp in gaan, waar al corona heerst? Hoe ga je dat organiseren? Dat is een heel ingewikkeld vraagstuk.

De tweede ingewikkelde vraag is: moeten humanitaire organisaties ook actief worden in de sloppenwijken van Nairobi als daar corona losbreekt? Dat is een vraag waar zulke nachtmerrieachtige consequenties aan zitten, dat is heel moeilijk te behappen. Waar halen de organisaties de slagkracht vandaan, hoe kunnen ze op deze schaal helpen? Sommige organisaties hebben met Ebola te maken gehad, in zekere zin zijn ze hierop toegedicht. Maar dat was in een beperkt aantal landen in West-Afrika. Nu heb je het over een pandemie over de hele wereld. We gaan hier de komende tijd nog veel over horen.”

We spreken Thea Hilhorst omdat ze onlangs de prestigieuze Europese Advanced Grant van de European Research Council (ERC) ontving, een beurs van 2,5 miljoen euro voor een vijfjarig onderzoeksproject naar eigen keuze. Ze gaat onderzoek doen naar het hart van haar leerstoel: de recente veranderingen in de aard van humanitaire hulp en wat de voor- en nadelen daarvan zijn.

"Mijn doel is om juist waar de nood hoog is, te gaan kijken wat er gebeurt als we vooroordelen doorbreken."

Om welke veranderingen gaat het?

“Met name het verhaal dat hulp over zichzelf vertelt, is veranderd. Het was altijd centraal en internationaal georganiseerd, op basis van de VN en van humanitaire principes. Je ziet nu een verschuiving naar zoveel mogelijk nationaal georganiseerde hulp. Hiernaast zie je dat de bevolking die geraakt wordt door een conflict of de ramp, steeds meer centraal staat en een stem krijgt. Voorheen werd ervan uitgegaan dat iemand in een oorlogsgebied alles nodig heeft: een kamp, een deken, voeding, medische hulp. Nu wordt er gekeken wat mensen zelf kunnen, en wordt geprobeerd om daarop aanvullend te zijn.”

Kun je een voorbeeld noemen?

“Vluchtelingen krijgen zo’n all-inclusive arrangement in een vluchtelingenkamp, mede omdat ze geen banen mogen afnemen van de bevolking, ze worden daar een beetje in leven gehouden, terwijl ze misschien wel graag willen werken. Nu zie je dat de internationale gemeenschap zegt tegen Oeganda: als jullie land geven aan vluchtelingen, en ze laten werken, compenseren wij dat met internationaal geld.

Ik vond het spannend om juist nu onderzoek te gaan doen naar dit onderwerp. Met name naar de vraag hoe hulp zich rekenschap geeft van wat het doet, aan de bevolking, aan donoren en dergelijke. En andersom: hoe de getroffen bevolking probeert invloed te krijgen? Met andere woorden, ik wil onderzoeken hoe deze transitie er in de praktijk uitziet. Eén uitkomst zou kunnen zijn: in werkelijkheid is er nog weinig veranderd.

Een ander onderwerp is de ‘dekolonisatie van humanitaire studies’. In ontwikkelingsstudies is dit een lopende discussie en zoekt met naar meer gelijkwaardige samenwerking en een centrale rol voor onderzoekers in het Zuiden. Maar in deze discussie worden landen waar écht grote crises zijn, vaak buiten beschouwing gelaten. Er wordt makkelijk gezegd: participatief onderzoek werkt niet in conflict. Mijn doel is om juist waar de nood hoog is, te gaan kijken wat er gebeurt als we deze vooroordelen doorbreken. Waarom zou je vluchtelingen niet vragen of ze in een onderzoeksgroepje willen, misschien willen ze dat wel?”

Kan een uitkomst ook zijn: het oude systeem van internationaal georganiseerde hulp werkte beter?

“Het is geen wedstrijd. Maar ik ben ook benieuwd naar de nadelen van het nieuwe systeem, ja. En de uitkomst, zowel in positieve als negatieve zin, zal niet overal hetzelfde zijn. Als je het uniforme idee van hulp loslaat, krijg je automatisch dat het veel belangrijker wordt in welk land het zich afspeelt, is het rijk of arm? Opereert de regering streng of niet? Die dingen gaan meespelen.”

In welke landen ga je dit onderzoek doen?

“In Colombia onder andere, dat is een voorbeeld van een land dat veel conflict heeft meegemaakt, veel interne ontheemden heeft, veel mensen uit Venezuela erbij kreeg. Maar het is ook een behoorlijk ontwikkeld middeninkomen land. De tweede casus is Ethiopië, een arm land met veel autoritaire trekken, en een sterke overheid. De derde casus is Congo, daar gebeurt de ene na de andere ramp, het is fragiel, de mensen zijn straatarm, de overheid werkt niet goed.”

Zie je het onderzoek dat je nu gaat doen als een soort conclusie van je werk tot nu toe, of de ERC-beurs als kroon op je werk?
“Ja, het brengt veel samen. Ik begon mijn academische carrière met mijn proefschrift over sociale bewegingen en hoe dingen van onderop kunnen veranderen. Ik ben nu twintig jaar bezig met humanitaire studies, en al die tijd vroeg ik me af: waarom zien we geen bewegingen van onderop? Bij de VN-top over humanitaire hulp in 2016 was geen enkele demonstrant, dat is uitzonderlijk. Blijkbaar was dit een beleidsterrein dat geen openlijke protesten genereerde. Maar ineens is dit veranderd. Het heeft ook te maken met de grote vluchtelingencrises in Europa en ook in de Verenigde Staten. Nu zie je dat Amnesty International zich uitspreekt over humanitaire hulp. Daarom is het momentum heel interessant, om juist nu te kijken: wat werkt en wat niet?”

“Ik ben nu twintig jaar bezig met humanitaire studies, en al die tijd vroeg ik me af: waarom zien we geen bewegingen van onderop?”

Met als doel om aanbevelingen te doen?
“Of om ruimte te maken en een platform te bieden aan verschillende stemmen.”

Geloof je zelf dat de bottom-up en lokaal georganiseerde benadering wel werkt, of sta je er kritisch tegenover?

“Allebei! Ik geloof heel erg dat het werkt. Maar ik heb ook een voorzichtige houding. De sociale bewegingen uit mijn proefschrift waren bijzondere bewegingen, die belangrijke dingen deden voor de inheemse bevolking. Maar intern waren er bijvoorbeeld wel machtsissues. Het ligt altijd genuanceerd. Ik omarm dit soort bottom-up benaderingen en sociale bewegingen, maar heel voorzichtig. Ik wil ze beter onderzoeken. Met alléén een participatief karakter hebben kom je er niet.

Eén van de ERC-juryleden zei dat mijn onderzoek bijzonder is vanwege de combinatie tussen dichtbij willen zijn en toch afstand kunnen houden. Dat is volgens mij de reden dat ik de beurs heb gekregen. Ik geloof erin en ik vind het belangrijk, maar ik heb kritische kanttekeningen.”

Ga je zelf naar deze landen toe voor onderzoek?

“Ja en nee. Ik ga zeker, dat kan niet anders. Tegelijkertijd is één van mijn persoonlijke doelen in het leven om minder vliegbewegingen te maken. Heel lang dacht ik: vliegen hoort bij mijn vak. Een paar jaar geleden ben ik van gedachten veranderd: juist mensen zoals ik moeten hier bewust mee omgaan. Ik heb geen zin in zo’n vliegend circus. Ik werk liever samen met mensen aldaar en probeer minder vaak heen en weer te vliegen.”