Oneigenlijk gebruik van concurrentiebedingen veelvoorkomend. Hoe nu voorwaarts?

Het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten is niet onomstreden, zowel D66 en de PvdA zijn voor inperkingen en vakbond FNV wil er zelfs helemaal vanaf. In een artikel van NRC biedt Ruben Houweling, hoogleraar arbeidsrecht bij Erasmus School of Law, een juridische context bij de discussie over het oneigenlijk gebruik van deze concurrentiebedingen.

Uit onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat één op de vijf medewerkers in loondienst een concurrentiebeding in hun contract hebben staan. Echter, enkel een relatief kleine groep topfunctionarissen bevindt zich in organisaties die toegang hebben tot gevoelige bedrijfsinformatie. Dit verhoudt zich slecht tot het recht op vrije arbeidskeuze uit de grondwet, aldus Houweling. Uit zijn eerdere onderzoek naar het concurrentiebeding blijkt dat werkgevers deze bepaling vaak oneigenlijk gebruiken, “ook zetten bedrijven het concurrentiebeding regelmatig in als wisselgeld bij onderhandelingen over zaken als een vertrekvergoeding”.

Er heerst een gebrek aan wettelijke normen omtrent deze concurrentiebedingen. Vvoor topfunctionarissen is dit geen probleem: zij laten zich in contractbesprekingen bijstaan door advocaten en hebben een substantiële onderhandelingsmacht. Vvoor normale medewerkers is dit anders: “die wil gewoon aan de slag in een nieuwe baan. Dan begin je niet zo gemakkelijk een gesprek over de gevolgen van een mogelijke scheiding”, aldus Houweling.

De voorstellen van D66 en PvdA om bedrijven te verplichten een vergoeding te betalen aan medewerkers die beperkt worden in hun mogelijkheden om van baan te wisselen zijn een logische stap voorwaarts, volgens Houweling. In andere Europese landen geldt een dergelijke verplichting al, hiermee verschuift de last van het concurrentiebeding gedeeltelijk naar de werkgever: “Nu ligt de pijn volledig bij de werknemers”.

Meer informatie

Lees het volledige artikel in NRC hier.