Duwtje in de rug kan geen kwaad

Duwtje in de rug kan geen kwaad

Gedragseconomisch onderzoek laat zien dat kleine veranderingen in de omgeving waarin mensen keuzes maken de uiteindelijke keuze sterk kunnen beïnvloeden. De mogelijkheid om mensen via de keuzestructuur een duwtje in de juiste richting te geven, ook wel ‘nudging’ genoemd, heeft recentelijk zijn weg gevonden naar beleidsmakers. Jilles Smids bekritiseert het gebruik van nudging om gedragsveranderingen teweeg te brengen in het Nederlands Dagblad van 30 juli 2013 (zie bijlage). Wij gaan in op deze kritiek en beargumenteren dat nudging een waardevol beleidsinstrument is.

De term ‘nudge’ komt voort uit de gelijknamige bestseller van Richard Thaler en Cass Sunstein uit 2008. Als voorbeeld van een geslaagde nudge bespreken zij een school die gezond eten wil bevorderen. Middels een experiment ontdekt de school dat de manier waarop producten in de kantine worden geplaatst de consumptiekeuzes sterk beïnvloedt. Door gezonde etenswaren meer in het oog te laten springen, kan de consumptie van gezonde voeding verhoogd en die van junkfood verlaagd worden.

Dit voorbeeld wordt ook door Smids aangehaald, waarna hij een viertal bezwaren tegen nudgen opwerpt. Hij stelt dat dergelijke subtiele interventies mensen het recht ontnemen om fouten te maken en dat het niet aan gedragseconomen is om te bepalen wat de juiste keuzes zijn (maar aan de burgers zelf). Voorts stelt hij dat nudges niet altijd onschuldig zijn en dat het bedenken van nudges niet altijd eenvoudig is.

In zijn betoog wekt Smids de suggestie dat de keuze bestaat uit nudgen of niets doen. Dit is echter niet het geval. Nudges worden juist toegepast om problemen op te lossen die zonder nudge zouden worden aangepakt via een (algeheel) verbod of (hogere) belasting. In het kantine-voorbeeld moet de nudge dus niet worden afgezet tegen niets doen, maar tegen het duurder maken of uit de verkoop halen van junkfood. Op deze manier komen de merites van de nudge helder naar voren: waar traditionele interventies de burger beperkingen opleggen, geven nudges de mogelijkheid om een gedragsverandering teweeg te brengen zonder inzet van zulke beperkingen. Immers, het doel van gezondere eetpatronen kan met een nudge behaald worden zonder scholieren de vrijheid te ontnemen om soms (betaalbaar) junkfood te eten.

Het grote voordeel van nudging is dan ook dat de mogelijkheid tot een zelfstandige keuze behouden blijft. Hiermee blijft het recht van mensen om fouten te maken in stand.

Het voorbeeld maakt tevens duidelijk dat de beslissing om iets als probleem te bestempelen en het gewenste gedrag te bepalen niet het werk is van gedragseconomen. Hier is het de school die wil dat kinderen gezonder eten; op nationaal niveau worden zulke beslissingen doorgaans door de overheid genomen. De gedragseconoom helpt enkel om het bestaande doel te bereiken.

Smids stelt verder dat nudges niet altijd onschuldig zijn en via onbewuste psychologische mechanismes werken. Dit is echter geen exclusief kenmerk van nudges, maar een intrinsiek onderdeel van menselijk beslissingsgedrag. Van iedere mogelijke inrichting van de keuzesituatie zal er onbewust een bepaalde sturing uitgaan. In het kantine-voorbeeld zullen er altijd producten zijn die door hun plaatsing meer in het oog springen dan andere, waardoor ze vaker gekozen zullen worden. Wat een nudge doet, is de bestaande keuzestructuur zodanig inrichten dat de gewenste keuzes worden gemaakt. Als mensen toch al onbewust beïnvloed worden, laten we er dan in ieder geval voor zorgen dat ze een duwtje in de juiste richting krijgen.

Tot slot geeft Smids aan dat het niet zo gemakkelijk is om een nudge te bedenken. Dat zou kunnen, maar er is voorlopig nog voldoende laaghangend fruit – zeker in Nederland – zoals Van den Assem laat zien met zijn suggestie om het autogebruik te verminderen (integraal overgenomen door het Nederlands Dagblad, 25 juli 2013). In het buitenland hebben nudges onder meer geleid tot lager energieverbruik, meer orgaandonoren en een betere naleving van de maximumsnelheid. Stuk voor stuk mooie resultaten, zonder enige vorm van vrijheidsbeperking.

CV

Rogier Potter van Loon is als promovendus verbonden aan de Erasmus School of Economics. Zijn onderzoeksinteresses liggen op het raakvlak van Behavioral Finance en Econometrie. Hij voltooide een bachelor Econometrie aan de Erasmus Universiteit (cum laude) en een tweejarige onderzoeksmaster Finance aan het Tinbergen Instituut.


Dennie van Dolder is als promovendus verbonden aan de Erasmus School of Economics. Zijn onderzoek richt zich op het empirisch toetsen van ideeën uit de gedragseconomie. Dennie van Dolder voltooide een bachelor en tweejarige onderzoeksmaster in sociologie aan de Universiteit Utrecht (beide cum laude) en een master in gedragseconomie aan de Universiteit van Nottingham (V.K., met distinctie).

Meer informatie

Klik hier voor het artikel van Jilles Smids in het Nederlands Dagblad van 30 juli 2013 .