Spotlight Interview | Prof. dr. René van Swaaningen

Criminologie is niet voor solisten
Prof. dr. René van Swaaningen
Hoogleraar Criminologie

‘Dat ik criminoloog ben geworden is deels planning en deels toeval, zoals dat wel vaker gaat. Na mijn eindexamen ben ik direct naar Berlijn vertrokken, al had ik me daarvoor al ingeschreven voor een studie die naar mijn idee heel breed was: Rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In het eerste jaar van die studie leer je wat je echt leuk vindt; voor mij bleken dat meer de para-juridische vakken te zijn, zoals rechtsfilosofie, rechtsgeschiedenis, en rechtssociologie.’

‘Omdat ik ben opgegroeid met de mentaliteit dat je afmaakt waar je aan begint, heb ik wel keurig mijn kandidaatsexamen rechten afgerond. Na een voorlichting van de flamboyante hoogleraar criminologie Herman Bianchi wist ik: dit wil ik doen! Criminologie is een mengeling van sociale wetenschappen en rechten, wat ik veel interessanter vond dan de formeel juridische kant. Daarnaast was het destijds een kleine opleiding met een informele sfeer. Jij kende alle docenten en alle docenten kenden jou, wat ik heel plezierig vond.’

Van straffen wordt niemand beter

‘Door een student-assistentschap bij Bianchi en het organiseren van een groot internationaal congres over het thema alternatieven voor gevangenisstraf, ben ik doorgerold in de wetenschap. Natuurlijk is dat op een gegeven moment ook een bewuste keuze geweest: je krijgt kansen en die pak je. Ik merkte dat mijn hart bij dit onderwerp lag en dat viel anderen ook op. Ik ben aanvankelijk naar Erasmus School of Law gekomen om het in 1984 door Louk Hulsman mede opgezette Common Study Programme on Criminal Justice and Critical Criminology (CSP) te coördineren. Dat was één van de eerste ERASMUS-programma’s en anno 2017 bestaat het nog steeds.’

‘De keur aan wetenschappers die ik daarin heb leren kennen is heel belangrijk voor mij geweest. Zo heeft de bekende criminoloog Jock Young de weg naar internationale tijdschriften wat voor me gebaand en ben ik door CSP-oud-studenten uit Latijns Amerika (die in de Spaanse groep hun master deden) me steeds meer op dat continent gaan richten. En de nieuwe internationale Research Master (ReMEIC) over ‘Border Crossing, Security and Social Justice’ die we momenteel ontwikkelen uiteindelijk ook uit dit lang bestaande netwerk voortgekomen.’

‘Mijn proefschrift is deels ook een reflectie van het CSP. De geschiedenis van de kritische criminologie was vooral op Engelstalige landen gericht. Ik heb zeg maar het continentaal-Europese verhaal geschreven. Het empirische deel van mijn proefschrift ging over de rol van gedetineerden- en strafrechtshervormingsbewegingen in Europa. Het abolitionisme, het idee dat we op een hele andere manier met criminaliteit moeten omgaan, speelde daarbij een belangrijke rol. Ik was het met Bianchi en Hulsman eens dat van straffen niemand beter wordt en dat we dus iets anders moesten bedenken. Het is daarbij belangrijk om ons te realiseren dat er niet één passend medicijn voor alle kwalen is; dat je anders omgaat met hangjongeren dan met een grote fraudezaak binnen een bedrijf.’

Fremdkörper

‘Criminologie bestaat al sinds de 19e eeuw, al heette het toen nog ‘criminele antropologie’. Het ontstond in Europa vanuit zowel de biologie als het strafrecht en werd tot de jaren zestig slechts door een enkeling bedreven. Later verschenen kleine afdelingen van mensen die geen rechtenachtergrond hadden, maar een sociaalwetenschappelijke, maar de inbedding in de vakgroepen strafrecht bleef onveranderd. In Engelssprekende landen is de criminologie eerder vanuit de psychologie en psychiatrie ontstaan, waardoor het daar ook tegenwoordig nog onder de sociale faculteit valt. In continentaal Europa werd criminologie in het begin wel als een Fremdkörper binnen de rechtenfaculteit beschouwd; zeker in de jaren ’90 was criminologie bepaald niet populair.’

‘Rond het jaar 2000 nam de interesse in criminologie opeens ontzettend toe. Dit had deels te maken met de parlementaire enquête opsporingsmethoden, ook wel bekend als de commissie-Van Traa, die in 1994 van start ging. Hierdoor werd criminologie een stuk zichtbaarder. Verder bleken er, zo was onder meer de klacht bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), weinig empirische onderzoekers te zijn die voldoende kennis hadden van het rechtssysteem, terwijl daar wel behoefte aan was. En natuurlijk zorgden series als CSI er ook voor dat het onderwerp meer bekendheid kreeg onder studenten, ook al heeft de opleiding criminologie daar maar weinig mee te maken.’

‘Dankzij deze toegenomen aandacht konden wij een nieuwe opleiding opzetten, wat we samen met de Vrije Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden hebben gedaan. Ik ben daar kwartiermaker voor geweest, en het opzetten van die opleiding zie ik zelf als een van mijn meest blijvende bijdragen aan de criminologie.’

Mixed methods

‘Wat misschien niet bij iedereen goed op het netvlies staat, is dat criminologisch onderzoek bijna altijd in teamverband wordt gedaan. Wij kennen maar weinig solisten – er is massa nodig om onderzoek te kunnen draaien. Met de grotere studentaantallen werden er ook meer medewerkers aangetrokken, waardoor we ook weer meer en grotere onderzoeksopdrachten konden aannemen. Onze specialisatie ligt op het gebied van grootstedelijke problematiek, organisatiecriminaliteit, en migratie gerelateerde problemen. Dat in combinatie met onze kritische distantie ten aanzien van ‘de instituties’ en onze mixed methods-aanpak, waarbij we kwalitatief en kwantitatief onderzoek combineren, typeert ons Rotterdammers in het Nederlandse criminologische landschap.’

Capo di tutti capi

‘Ik vind dat je als wetenschapper een aantal belangrijke taken hebt. Allereerst doen wij aan debunking; het doorbreken van stereotypen. Neem bijvoorbeeld de mythe dat veel immigranten in de criminaliteit belanden: bij nader onderzoek blijkt dat de meesten het hoofd prima boven water kunnen houden binnen de ‘grijze’ economie als schilderbedrijfjes, restaurants enzovoorts. Een ander voorbeeld betreft het vooroordeel dat de georganiseerde misdaad in Nederland een maffiastructuur zou hebben, met een capo di tutti capi aan het hoofd en zijn consigliere aan zijn zijde. Dat is ook niet waar, de georganiseerde misdaad in ons land lijkt eerder te bestaan uit fluïde samenwerkingsverbanden, die bij iedere deal kunnen wijzigen.

‘Wat ik als externe beschouwer aan een rechtenfaculteit ook belangrijk vind, is het signaleren van problemen, patronen en praktijken waar iets mee zou moeten gebeuren, die wanneer je vanuit het systeem van het recht kijkt misschien niet zo opvallen. Verder vind ik het onze taak om bezig te zijn met valorisatie: kennisoverdracht ten behoeve van de maatschappij. Dat bedoel ik in de breedste zin van het woord – we moeten valorisatie niet verengen tot een strikt beleids-, economisch of industrieel nut. Het wakker schudden van een samenleving door te bevragen waarom we bepaalde dingen doen zoals we ze doen, vind ik bijvoorbeeld ook valorisatie. Dit kan ook betrekking hebben op betrekkelijk kleine zaken, zoals het feit dat op onze telefoons alle instellingen waarmee je gemonitord wordt, standaard staan ingeschakeld in plaats van uitgeschakeld. Waarom accepteren we dat? Ook het doen van opdrachten voor organisaties kan een vorm van valorisatie zijn – waarbij het belangrijk is dat je als universiteit de luxe hebt om kritische afstand te bewaren tot de opdrachtgever. Wij kunnen het ons permitteren om ook onwelkome boodschappen te brengen. Ik denk dat het ook juist goed is voor organisaties om tegengas te krijgen; als dit niet gebeurt, zie je je eigen blinde vlekken op gegeven moment niet meer.’

Blijf nieuwsgierig

‘Ik vind onderwijs ontzettend inspirerend. Het leukste aspect ervan blijft wel om ‘het kwartje te zien vallen’ bij de studenten. Ik zou graag willen dat zij aan het eind van hun opleiding hebben geleerd dat niets vanzelfsprekend is, dat je in principe alles moet bevragen. Ik denk een student een bepaalde nieuwsgierigheid moet hebben – eigenlijk zou dat je voornaamste motivatie moeten zijn voor het volgen van een universitaire studie.’

‘Ik heb soms het gevoel dat er te veel druk op studenten ligt om maar zo snel mogelijk af te studeren, waardoor je niet meer de gelegenheid hebt om je langere tijd echt ergens in te verdiepen. Ik denk ook wel eens dat bij veel Nederlandse studenten een gevoel van urgentie hiertoe ook ontbreekt, terwijl ik die wil om te weten en het engagement in andere landen meer tegenkom.’

Rotterdamse mentaliteit

Wat ik uniek vind aan Erasmus School of Law zijn alle kansen die ik gekregen heb om hier innovatieve dingen te doen. Het is die typisch Rotterdamse mentaliteit: heb je een goed idee, probeer het dan maar. Een voorbeeld hiervan is onze Erasmus Graduate School of Law, waarvan ik ook aan de basis heb mogen staan. Ik vind het nog steeds een verworvenheid dat het nu niet meer zo is dat een hoogleraar een idee heeft en daar een AIO bij wordt gezocht. In plaats daarvan kan iedereen een eigen onderzoeksvoorstel indienen, waarbij het principe ‘may the best person win’ geldt. Dat was een vrij radicale stap, maar dat hebben we toch maar mooi gedaan. En dat geldt natuurlijk ook voor het Probleem Gestuurd Leren, waardoor we nu werken met onderwijsgroepen onder aansturing van tutoren. Of dat nou het beste onderwijssysteem is, zal de tijd leren. Het feit dat Erasmus School of Law zo open staat voor innovatie, vind ik echter heel fijn. Daar voel ik me goed bij thuis.’

Personalia

Naam: René van Swaaningen
Functie: Hoogleraar Criminologie
Proefschrift: European critical criminologies
Expertise: Criminologie
Huidig onderzoek: Culturele en mondiale criminologie