Agenda voor fiscale groei

Begin februari 2014 heeft de voorzitter van de SER, Wiebe Draijer, in Het Financieele Dagblad een pleidooi gehouden voor een agenda voor groei. Kort gezegd meent hij dat het kabinet eigenlijk niets doet om Nederland economisch op te stuwen hetgeen zijn inziens hard nodig is.

Hij neemt als uitgangspunt een wenselijke groei van 1,5%. Vergeleken bij de afgelopen jaren is dat een mooi niveau, maar structureel is dat voor een land als Nederland te weinig. Zeker nu de groei voor 2014 inmiddels wordt geschat op 0,7%. Hans Wijers heeft in Het Financieele Dagblad van 15 februari gereageerd en aangegeven dat op zich een dergelijke agenda inderdaad wenselijk is. Hij stelt echter - wat mij betreft terecht - de norm een stuk hoger, namelijk een groei van (ten minste) 2,5%. Het pleidooi van beiden verdient opvolging. Het huidige kabinet is op dit punt weinig ambitieus.

In het betoog van Draijer is vooral opvallend dat hij geen suggesties doet ter invulling van die groeiagenda. Wijers noemt twee hoofdthema’s waar de aandacht zich op zou moeten richten: de achtergebleven ontwikkeling van de arbeidsmarkt – met name de betrekkelijk lage arbeidsproductiviteit - en de ontwikkeling van het onderwijs.

De gedachte van een agenda voor economische groei spreekt aan. Maar dan moeten daar wel handen en voeten aan worden gegeven. Het gaat om een breed palet aan beleidsterreinen waar naast de door Wijers gesuggereerde gebieden bijvoorbeeld ook de infrastructuur een zeer essentiële rol speelt. Daarnaast moeten we ons realiseren dat Nederland relatief gesproken – anders dan bijvoorbeeld Duitsland – weinig ‘maakindustrie’ heeft en dat het ook onmogelijk moet worden geacht daar substantieel verandering in te brengen. Hiermee zij niet gezegd dat niet op groei van die sector moet worden ingezet, maar Nederland is aanzienlijk sterker in dienstverlening. Dienstverlening is in die zin een lastige sector dat het in de regel in economische zin achter de maakindustrie aanloopt: gaat het in de maakindustrie slecht dan geldt dat vervolgens ook voor de dienstensector; hetzelfde is het geval als het in eerste sector (weer) goed gaat. De dienstverleningssector is daarmee minder stuurbaar.

In het geschetste perspectief is het een uitdaging op welke wijze de fiscale regelgeving aan een agenda voor groei kan bijdragen. De oproep van Draijer en Wijers is mede een mooi moment, nu een nieuwe fiscale bewindspersoon is aangetreden, waarvan we mogen aannemen dat zijn ambitie niet is beperkt tot het oplossen van de problematiek rondom de toeslagen – hoe belangrijk dat ook is. Hieronder doe ik een paar suggesties voor prioriteiten en denkrichtingen.

  1. De belastingdruk op arbeid moet substantieel afnemen. De totale belastingopbrengst is in 2014 begroot op circa € 235 mld. Daarvan komt € 45 mld. voor rekening van de loonbelasting, terwijl daarnaast nog eens € 100 mld. aan premies sociale verzekeringen wordt geheven, ofwel € 145 mld. die in essentie drukt op arbeid. De sociale zekerheid zelf kost overigens meer dan € 100 mld.: een deel wordt gefinancierd uit de belastingopbrengst. Het is natuurlijk wel sympathiek dat we een dergelijk sociaal zekerheidsstelsel hebben maar als we streven naar meer economische groei dan zal het voorzieningenniveau neerwaarts moet worden bijgesteld en moet arbeid meer lonen. Een van de terreinen waar dit waar moet worden gemaakt is het toeslagenstelsel waar meer dan € 8 mld. mee is gemoeid en waar meer dan 70% van de huishoudens een beroep op doet. Daar is het stelsel echter niet voor bedoeld: het moet er op zijn gericht alleen de onderkant van de samenleving te ondersteunen. Tevens moet het stelsel overigens eenvoudiger worden door de toeslagen afhankelijk te doen zijn van minder (feitelijke) variabelen. Maar ook buiten het toeslagenstelsel is een ingreep in de sociale zekerheid nodig. Daarnaast kan men bijvoorbeeld denken aan het enorme aantal gemeentelijke tegemoetkomingen in de sociale zekerheidssfeer. Zo kennen veel gemeenten bijvoorbeeld nog een soort huursubsidieregeling boven de landelijke huurtoeslag. Maar ook anderszins kennen gemeenten veelal diverse extra ondersteuningen.
    De ingreep in de sociale zekerheid is uiteraard niet het enige instrument binnen dit thema. Het tweede instrument betreft de verschuiving naar indirecte belastingen, zowel naar meer omzetbelasting, als naar meer accijnzen. Dat laatste lijkt gelet op de recente grensproblematiek ten aanzien van de accijnzen wellicht niet zonder meer voor de hand liggend, maar wanneer dat gepaard gaat met een vergaande tariefafstemming op EU-niveau hoeven in principe betrekkelijk weinig problemen te ontstaan.
  2. Een tweede thema zou een brede grondslagverschuiving moeten zijn van de traditionele fiscale grondslagen naar energieheffingen, vervuilende producten e.d. Daarmee kan onder andere worden bereikt dat de druk op arbeid wordt verlaagd en belastingen ter zake van inkomens- en winst genererende activiteiten worden verlaagd waardoor groei wordt gestimuleerd. Bovendien wijzen de ervaringen met dergelijke heffingen uit dat ze veel minder gemakkelijk speelterrein zijn van constructies. Een belangrijke kanttekening bij een substantiële omslag naar dergelijke heffingen, zijn de internationale aspecten: wanneer een zodanige operatie niet op brede schaal, dat wil zeggen door een groot aantal landen wordt ingezet, zal dit leiden tot verstoringen tussen landen. Een aanpak op EU-, dan wel op OESO-niveau is onontbeerlijk. Dat maakt de haalbaarheid op kortere termijn beperkt.

Een tweede belangrijk aspect betreft de afwentelingsrichting van deze heffingen. Bedacht moet worden dat belastingen economisch alleen gedragen kunnen worden door natuurlijke personen. Als de afwenteling van dergelijke energiebesparende en groene heffingen niet anders verloopt dan van traditionele belastingen, is het de vraag of dergelijke belastingen voldoende meerwaarde hebben. Dit element moet dus uitdrukkelijk onderdeel zijn van een onderzoek naar dit type heffingen.
3. Het derde thema betreft de aanpak van de vennootschapsbelasting. Het staat niet ter discussie dat dit momenteel de meest complexe heffing is, onder andere ten gevolge van de vergaande detaillering. Op dit punt zou een gedegen afweging moeten plaatsvinden of niet in ruimere zin met open normen kan worden gewerkt dan met specifieke en uitvoerige regels.

Niet alleen de complexiteit van de vennootschapsbelasting is een belangrijk probleem, relevanter nog is de problematiek van de fiscale behandeling van het eigen en vreemd vermogen en daarmee samenhangen het klassieke stelsel. Dit dossier is – mede, of wellicht vooral - ten gevolge van de rechtspraak een ondoordringbaar woud geworden. De vorige bewindspersoon heeft de vennootschapsbelasting duidelijk niet tot zijn aandachtsgebied gerekend. Ik hoop dat dit bij de nieuwe bewindsman anders ligt. Als denkrichting – hoewel ook daar zeker haken en ogen aan zitten – suggereer ik primair de aandacht te richten op een stelsel waarbij rente partieel (50%) aftrekbaar is en (primair) dividend eveneens partieel in aftrek komt. Enerzijds ontstaat aldus een gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen en anderzijds kan een dergelijke opzet in beginsel budgettair neutraal worden geëffectueerd. 
Daarnaast bepleit ik in het kader van een grondige herziening te bezien of het klassieke stelsel vervangen zou kunnen worden door een vorm van verrekening. Een dergelijke systematiek geeft tevens de ruimte om te bezien of een dualistische inkomstenbelasting tot de mogelijkheden behoort zoals die in de Scandinavische landen opgeld doet en waarvoor een verrekeningsstelsel onontbeerlijk is. De Commissie Van Dijkhuizen kon om die reden een dergelijke heffing niet voorstellen.

Er zijn natuurlijk meer fiscale thema’s te bedenken. In het kader van een groeiagenda voor Nederland acht ik bovenstaande punten essentieel. Het door Wijers terecht aangedragen punt van onderwijs ontbreekt hierbij. Ik zie daar geen belangrijke rol weg gelegd voor de fiscaliteit. Dat moet langs andere wegen worden opgepakt.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Weekblad voor Fiscaal Recht


Publicatiedatum: 28 februari 2014