Heffingsvrij vermogen van box 3 moet omhoog

Door: Jelle van den Berg

Het afgelopen jaar is er veelvuldig gesproken over het fictieve rendement van 4% in box 3 van de wet Inkomstenbelasting. Tegen een belastingtarief van 30%, betekent dit een heffing van 1,2% over het belaste vermogen.

Veel te hoog, omdat vrijwel niemand dat percentage haalt. In 2008 konden er nog spaarrentes van ruim 5 procent bereikt worden, maar in 2009 was een spaarrente van 3 procent al zeer moeilijk om te bereiken. Spaarders zijn vandaag zelfs al blij met een rendement van circa 2%. Hiermee kan de vermogensrendementsheffing net worden betaald. De inflatie eet vervolgens de resterende opbrengst ruimschoots op. Beleggers hebben een iets hoger rendement, maar na rendementsheffing en inflatie blijft ook daar weinig tot niets van over. De Commissie Van Dijkhuizen heeft vorig jaar in een rapport dan ook voorgesteld om het  vaste percentage te vervangen door een variabel percentage dat is gekoppeld aan de gemiddelde voortschrijdende nominale spaarrente.

Over het percentage van 4 bestaat zoveel onvrede dat er eind maart 2014 een procedure is gestart om dat percentage omlaag te krijgen. “Feitelijk is dit een belasting op rendement van meer dan 100 procent en komt dit dus neer op onteigening", aldus de ingenomen stelling.

Naast deze ontwikkeling, publiceerde de Volkskrant op12 april 2014een onderzoek waaruit bleek dat 1% van de rijkste Nederlanders ruim 25% van het vermogen in handen heeft. Dit laatste percentage is de afgelopen jaren zelfs nog gegroeid. Hierdoor kwam de vraag op of de rijke Nederlanders niet wat meer kunnen bijdragen aan het economisch herstel. Caminada stelde, in dit licht, een eenmalige (niet vermijdbare) heffing over vermogens boven de 1 miljoen euro voor.

Deze twee maatschappelijke ontwikkelingen lijken lastig te verenigen. Een verlaging van het percentage naar 3%, 2% of variabel geldt dan voor iedereen. Hetzelfde geldt voor een andere suggestie om het percentage van 30% te verlagen.

Een oplossing kan worden gevonden om het zogenoemde ‘heffingvrij vermogen’ (tijdelijk) te verhogen. Dit heffingvrij vermogen van € 21.139 per belastingplichtige kan heel eenvoudig worden verhoogd. Denkbaar is dit naar € 100.000 of € 200.000 te brengen. Wat mij betreft zou dat zelfs met terugwerkende kracht naar1 januari 2014kunnen. Dit is echter een politieke keuze.

Budgetair beslag

Uit het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen (blz. 60) blijkt dat de opbrengst uit de vermogensrendementsheffing op de volgende wijze is verdeeld.

Vermogen(in €)

Opbrengst rendementsheffing  (mln €)

Aantal huishoudens per inkomensgroep

Tot 56.000

77

481.000

56.000 – 96.000

218

481.000

96.000 – 189.000

584

481.000

Meer dan 189.000

2.823

481.000

Totaal

3.687

 

Dat betekent dat een verhoging van het heffingsvrije vermogen naar € 96.000 een derving voor de schatkist van € 295 mln betekent. Daarmee vallen 962.000 huishoudens buiten de rendementsheffing. Groot voordeel is dat tegemoet wordt gekomen aan beide maatschappelijke gevoelens. Belastingplichtigen met vermogens tot € 96.000 hebben geen last van de vermogensrendementsheffing. Pas bij vermogens van € 1 mln groeit de effectieve bijteling naar de 4% toe. Grotere vermogens blijven dus keurig onder de rendementsheffing van 4% vallen.

Bijkomend voordeel is dat de lagere belastingdruk naar alle waarschijnlijkheid wordt gebruikt om te consumeren. Immers een belastingplichtige, die thans een vermogen van € 75.000 heeft, bespaart (bij een heffingsvrij vermogen van €96.000) €646 inkomstenbelasting. Ik verwacht dat dit bedrag niet worden gespaard, maar grotendeels wordt uitgegeven. Goed voor de economie en daarmee ook goed voor de schatkist.


Publicatiedatum: 28 april 2014